Staatssecretaris Erica Terpstra (Welzijn en Sport) gruwt van kooivechten en dwergwerpen; 'Geweldsamusement moet verdwijnen'

Het portret van een gehavende kooivechter over vijf kolom deed de deur dicht. Staatssecretaris Erica Terpstra beval een onderzoek naar de toenemende hardheid van vechtsporten.

DEN HAAG, 20 NOV.“Bijna dertig jaar heeft de maatschappij gedaan alsof alles maar moest kunnen, maar moet dit nog wel kunnen”, vraagt staatssecretaris E.G. Terpstra (Welzijn en Sport) zich af over het verschijnsel 'kooivechten'.

Bij het kooivechten nemen vechtsporters het tegen elkaar op onder een minimum aan arbitrage en een maximum aan risico. Armklemmen, verwurgingen, schoppen en slaan naar een tegenstander die op de grond ligt, bijna alles is toegestaan. Terpstra gruwt er nog steeds van. Geweld tussen mensen is verwerpelijk, vindt de staatssecretaris. “Geweld mag niet gewoon worden.”

Maar bij het kooivechten nemen toch volwassen mensen vrijwillig de beslissing om het tegen elkaar op te nemen? Als zij dat gewoon vinden, wat heeft een overheid daarover nog te zeggen?

“Het kan me niet schelen dat die mensen vrijwillig de ring in gaan. Ik ben ook tegen dwergwerpen. Dwergen kunnen best zeggen 'ik vind het niet erg en ik doe het voor geld' - dan nog vind ik dat het niet kan. Ik zie kooivechten op hetzelfde niveau als dwergwerpen, je zou dat uit oogpunt van zedelijkheid moeten kunnen verbieden.”

Mensen die in de kooi stappen of de ring in gaan om aan ,ultimate fightng of No Holds Barred' te doen zijn toch topsporters die weten wat ze doen?

“Dat ze zich tooien met de kleren van de keizer en zeggen dat het sport is, dat vind ik echt niet goed. Om publiek te trekken met dat soort aankondigingen van extreem vechten - komt dat zien, komt dat zien, hoe mensen elkaar onder een minimum aan regels te lijf gaan - dat is abject. Dat heeft niks met sport te maken.”

De onderzoekers wijzen erop dat de mensen die aan deze sporten doen anders tegen geweld aan kijken dan de leden van de meer geletterde klassen.

“Ik verzet me tegen het idee dat normen van beschaving wel voor de ene klasse gelden en niet voor de andere. Geweld - of het nu verbaal of fysiek is, of het nu geletterden zijn of kansarmen - geweld tussen mensen is te verwerpen. Ik wens daar geen discussie over.”

Net als bij boksen zie je dat jongeren in vechtsportscholen een thuis vinden. Ze leren discipline, beheersing, en krijgen structuur in hun leven. Dat kan toch niet slecht zijn?

“Het is ook niet zo dat ik ze allemaal uitmaak voor tuig. Ik ben ook bereid om met alle betrokkenen uit het vechtsportcircuit om de tafel te gaan zitten. Ik zal ze uitnodigen voor een gesprek en een maatschappelijke discussie aangaan. Voorkomen moet worden dat er grenzen overschreden worden. Ik ben blij dat die grenzen in Nederland nog niet zijn overschreden. En dat die scholen hun waarde hebben zie ik ook wel, maar de wedstrijden die worden gehouden moeten niet de uitstraling krijgen van topvermaak: kijk eens hoe effectief mensen hier elkaar in elkaar slaan. Bij autoraces vallen ook slachtoffers, maar autoraces worden niet aangeprezen met 'komt dat zien hoe mensen elkaar afslachten'.”

Is het wel iets voor liberalen om zich zo te bemoeien met wat mensen zelf graag willen doen?

“Het is een misvatting dat een liberale partij geen regels zou stellen. Juist vanuit onze maatschappelijke verantwoordelijkheid is het nodig om positieve krachten te versterken en negatieve te dempen.”

Maar hoe stel je dan grenzen?

“In de sportschool is het zo dat de leraar misschien wel les in allerlei extreme technieken geeft, alleen bij alles zegt hij tegen zijn leerlingen 'tot hier en niet verder, ik bepaal hoe ver we gaan'. Zo zie ik de taak van de overheid ook.

“Ik heb de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gevraagd te werken aan een model-verordening: een verbod op kooivechten, tenzij. Er zullen allerlei voorwaarden aan die gevechten gesteld moeten worden. Het element van geweldsamusement moet verdwijnen. Het mag niet de uitstraling hebben van topvermaak, niet afglijden naar dehumanisering. En het liefst heb ik dat de betrokkenen uit de vechtsportwereld zelfregulerend optreden. Als de betrokkenen zelf het kaf van het koren kunnen scheiden, dan is reglementering voor die wereld een win-win situatie.”

    • Hans Moll