Onenigheid in WEU over steun aan Oost-Zaïre

OOSTENDE, 20 NOV. De West-Europese Unie is in principe bereid humanitaire steun te leveren aan een multinationale troepenmacht voor Oost-Zaïre, bijvoorbeeld door het coördineren van het transport van hulpgoederen.

Maar binnen de Europese veiligheidsorganisatie lopen de meningen uiteen over de manier waarop die bijdrage moet worden gepresenteerd. Dat bleek gisteren in Oostende op de halfjaarlijkse conferentie van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken van de WEU.

Terwijl de Franse minister van Defensie, Millon, jubelde dat de WEU nu “een missie heeft in het drama dat zich voltrekt, door humanitaire hulp te bieden”, maande zijn Nederlandse collega Voorhoeve dat de steun vooral niet het stempel 'WEU' moet dragen maar onder de - neutralere - vlag van de Verenigde Naties moet plaatshebben. “Met het etiket 'WEU' zou de bijdrage weerstanden kunnen oproepen”, aldus Voorhoeve die wees op de gevoeligheid in Afrika voor voormalig koloniale mogendheden als België en Frankrijk. “Wat is belangrijker, mensen in het gebied helpen of de Westeuropese trompet laten schallen?”

Het leek zo'n uitgelezen kans voor de West-Europese Unie om eensgezind in actie te komen. “Eindelijk kunnen we in plaats van te praten over hoe wat te doen, iets doen”, stelde een diplomaat 's ochtends nog. De WEU, die worstelt met zijn toekomst als beoogde defensietak van de Europese Unie en als versterking van de Europese pijler binnen de NAVO, richt zich vooral op humanitaire en vredesmissies die in 1992 aan haar takenpakket werden toegevoegd. Afgelopen juni kreeg de Europese veiligheidsorganisatie hiervoor ook de logistieke mogelijkheid, toen de NAVO-raad het licht op groen zette voor zogeheten Combined Joint Task Forces waardoor de NAVO middelen kan uitlenen aan de West-Europese Unie.

Humanitaire steun in Oost-Zaïre valt dus bij uitstek onder het WEU-takenpakket. Daarnaast had België, sinds 1 juli voorzitter van de organisatie, crisisbeheersing in Afrika als één van zijn prioriteiten aangekondigd. Hoewel dit oorspronkelijk meer in theoretische termen was geformuleerd, leidde de huidige crisis in het gebied van de Grote Meren tot concrete voorstellen van België gisteren aan de ministersconferentie. De oorspronkelijke tekst over hulp aan een VN-troepenmacht moest tijdens de bijeenkomst echter worden bijgesteld in een voorzichtiger richting, op verzoek van onder andere Nederland. Behalve Nederland drong ook Groot-Brittannië aan op aanpassing van de verklaring. Londen is huiverig voor een WEU die zich duidelijk profileert, juist nu de onderhandelingen over de toekomst van de Europese Unie (tijdens de Intergouvernementele Conferentie) gaande zijn, waarin ook defensie aan bod komt. Terwijl Duitsland en Frankrijk ervoor pleiten dat de WEU opgaat in de EU, verzet Groot-Brittannië zich hiertegen uit angst dat dit de transatlantische solidariteit aantast.

Dat de bijeenkomst gisteren minder soepel verliep dan de slotverklaring deed vermoeden, bleek ook uit een onderhoud met de pers van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Çiller. Zij verklaarde dat Griekenland (volledig WEU-lid) bezwaar maakt tegen deelname van Turkije (geassocieerd lid) aan vredesmissies van de WEU. Als tegenmaatregel dreigde zij het gebruik van NAVO-materieel voor WEU-acties te blokkeren.

Tijdens de WEU-conferentie gisteren in Oostende werd een Westeuropese Bewapeningsorganisatie (WEAO) opgericht. Deze organisatie voor samenwerking op het gebied van bewapening, zal zich vooral bezighouden met onderzoek en ontwikkeling. WEAO is een stap op weg naar een Europees bureau voor bewapening volgens het Verdrag van Maastricht.