Nieuw begin in Rwanda vereist politiek vergelijk

De dramatische wending in het Rwandese drama logenstraft niet alleen de verwachtingen van vele waarnemers, maar heeft wederom (op geheel voorspelbare wijze) de hulporganisaties en vooral de Verenigde Naties voor grote problemen gesteld.

De beslissing van de Rwandese vluchtelingen om terug te keren naar hun vaderland, waar hun volgens sommigen slechts “wraak en dood” zouden wachten en waar “de kern van het hele probleem zou liggen”, is bijna heroïsch. Het toont onder meer aan dat de vluchtelingen genoeg hadden van het juk van terreur dat een minderheid van door onder andere Westerse landen bewapende Hutu's van de ex-FAR (voormalig Hutu-regeringsleger) en Interahamwe-milities uitoefenden in de kampen - niet gehinderd door de hulporganisaties en de VN. De terugtocht toont ook aan dat de vluchtelingen niets zien in het idee van aparte 'Hutu- en Tutsi-landen', een absurd plan dat in alle ernst door enkele internationale organisaties en waarnemers werd gelanceerd - regelrecht uit de koker van Hutu-extremisten.

De VN en de hulporganisaties hebben twee jaar de tijd gehad om zich voor te bereiden op wat eens zou gebeuren - een massale terugkeer van de Rwandezen naar hun land. Echter, bij gebrek aan een adequate politieke analyse (van de afnemende greep van de Hutu-extremisten op de bevolking en van de verschuivende krachtsverhoudingen in het Grote Merengebied) en weinig interesse of begrip voor de gevoelens van de gewone Rwandese burgers, kwam hier weer niets van terecht.

Jarenlang horen we klachten over de staat van dienst van de VN. Het is stuitend om ten tijde van deze megacrisis aan te moeten zien dat er geen enkele vooruitgang zit in de hervorming van deze organisatie. Een deel van het gebrek aan doeltreffendheid moet worden toegeschreven aan secretaris-generaal Boutros-Ghali. De Verenigde Staten hebben geen ongelijk te stellen dat zijn staat van dienst ronduit onvoldoende is - beginnend in 1992 in Somalië, toen hij de voortreffelijk functionerende speciale VN-afgezant Mohammed Sahnoun wegstuurde wegens kritiek op de leiding van de volkerenorganisatie.

Uit verhalen van de terugkerende vluchtelingen - die door de pers slechts lijken te worden bezien als een grote horde van uitgeputte en vertwijfelde mensen en wier meningen en ervaringen zelden worden gevraagd - wordt duidelijk dat zij weer willen samenleven met anderen in eigen land en eigen streek. Deze wil tot wederopbouw en een soort verzoening lijkt te optimistisch, maar is toch de basis voor een nieuw begin.

Of er een betekenisvolle nieuwe start kan worden gemaakt in Rwanda hangt ook af van een evenwichtige politieke koers van het Rwandese Patriottische Front dat nu in Kigali aan de macht is. Deze regering heeft zeker feilen en een onvoldoende brede basis, dat ziet iedereen in. Uiteindelijk zullen politieke hervormingen in zowel Rwanda als Burundi (waar de situatie ook zeer kritiek blijft) nodig zijn.

Maar tegen deskundige, doch enigszins opportunistische opinies (NRC Handelsblad, 1 en 14 november) en op emotionele verwarring en bizarre partijdigheid gebaseerde verwachtingen (11 november) van sommigen in, heeft die RPF-regering zich tot nu toe veel redelijker opgesteld tegenover de herintegratie van de vluchtelingen dan verondersteld. De regering stelt mensen in staat terug te keren naar hun woongebieden, wil bemiddelen bij het terugkrijgen van woningen en grond en heeft streng gewaarschuwd tegen wraakacties of represailles.

Eerder (8 november) stelde ik dat er nog geen goed alternatief was voor de RPF-regering. In theorie natuurlijk wel, maar we hebben te maken met de realiteit. Uiteraard blijft de situatie fragiel en op de langere duur moet een goed politiek vergelijk worden gevonden. Het is een illusie te denken dat dit snel tot stand zal komen.

Het is echter geheel onproduktief om al naar gelang de wind waait een regime af te breken en altijd de kant van de underdog van het moment (in dit geval de Hutu's) te kiezen. Ook is duidelijk dat er voor de Hutu's van het vorige bewind geen plaats meer kan zijn, behalve in de gevangenis.

Wat is de rol van de internationale gemeenschap? Bevorderen van de stabiliteit en wederopbouw door:

de terugtocht te ondersteunen met transport, voedsel- en medische hulp. Een internationale interventiemacht met niet-militaire maar alleen humanitaire, logistieke en politietaken in samenwerking met de regering van Rwanda zou een rol hebben;

de vluchtelingen te begeleiden naar hun plaatsen van herkomst en hen te assisteren bij het weer opnemen van economische activiteiten, bijvoorbeeld hen voorzien van werktuigen, kleding, zaaigoed en voedsel voor de komende maanden.

Echter, elke poging van zo'n interventiemacht om het militaire krachtenveld in het Rwandees-Zaïrese grensgebied te beïnvloeden zou uit den boze zijn. Er is niets heiligs aan de post-koloniale grenzen, en de staat Zaïre heeft veel van zijn legitimiteit verloren door zijn eigen burgers te bedreigen of te willen opofferen.

De Banyamulenge die al eeuwen in Zaïre wonen, werden plotseling tot vijand verklaard, omdat zij zich teweerstelden tegen de bedreiging door de Hutu-milities gesteund door Zaïrese troepen en lokale leiders. Hoe dan ook, voor de staatkundige stabiliteit van Zaïre en het Merengebied in het algemeen is een soort federale oplossing nodig, met verregaande autonomie voor de regio's.

Een verdere rol voor de internationale gemeenschap is het organiseren van een soort standing conference over het Grote Merengebied (met deelname van Rwanda, Burundi, Zaïre, eventueel Tanzania, vertegenwoordigers van hulporganisaties, donoren en VN-organen) met een economische en politieke agenda. Hierbij zou een door economische hulp gedreven aanpak de voorwaarde kunnen scheppen voor een staatkundige compromispolitiek die de regio hard nodig heeft.

    • J. Abbink