Je broedt en dan komt er een kuikentje; Toetsenist Cor Fuhler over improviseren

Voor het Amsterdamse festival 'Improvisaties', dat op 22 november begint, mochten zes Nederlandse musici zes niet-westerse partners uitkiezen. De Amsterdamse toetsenist Cor Fuhler koos de Indonesische componist en gamelan-speler I Wayan Sadra. “Een goede improvistor weet wanneer hij zijn kop moet houden.”

Cor Fuhler: 7CC IN 10 (Geestgronden GG 15). Distr. BVHAAST. Tijdens het festival is Fuhler in Amsterdam op 22/11 te horen in het BIMhuis en op 23/11 in de IJsbreker met zijn compositie voor gamelan, hammondorgel en Nieuw Ensemble. Op dit festival, dat wordt vervolgd in het Tropeninstituut (24/11), opnieuw IJsbreker (25/11) en Paradiso (26/11) zijn verder o.a. te horen: de Marokkaanse zanger Najib, Theo Loevendie en electro-improvisator Michel Waisvisz.

“Dat zelfs fantastische musici soms denken dat ze niet kunnen improviseren, is iets dat me erg verbaast. Ik heb eens les gegeven aan een afgestudeerd iemand en die sloeg toen er geïmproviseerd moest worden in één klap dicht. De timing, de klank, alles was weg. Zulke blokkades zijn natuurlijk doodzonde. Dat ik zo'n drempel niet voel heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ik er zelf nooit vóór heb gestaan. Ik ben juist altijd afgegaan op het onbekende.”

Toetsenspeler Cor Fuhler (Barger-Oosterveld, 1964) zat al heel jong te 'pielen' met instrumenten. “Zelf een drumstelletje bouwen, een propellertje naast je bed als ventilator, de piano versieren, dat soort dingen. Ik was altijd benieuwd wat er uit zou komen.” In discotheken liet hij zich in zijn jeugd niet zien wegens zijn aanleg voor 'claustrofonie', veel liever ging hij wandelen in het bos, of zat hij thuis te spelen of te luisteren.

“Ik had al vroeg een voorkeur voor muziek met wat uitgebreidere akkoorden. Van het Mahavishnu Orchestra van gitarist John McLaughlin ging het via Misha Mengelberg en Theo Loevendie al snel naar Steve Reich en Schönberg. Te snel eigenlijk, want wat ik hoorde kon ik niet spelen, althans niet zoals het technisch hoorde. Mijn handen zaten vast. Daarom ging ik naar het conservatorium, ik wilde geen musicus worden die bepaalde dingen alleen maar speelde omdat hij iets anders niet kon. Die frustratie over mijn techniek is gebleven tot ik aan het eind van mijn studie ontdekte dat wat ik zelf deed eigenlijk ook heel virtuoos was. Ik kreeg bovendien de nodige bijval van buiten en dat sterkte me in het idee dat ik mijn eigen plan moest trekken.”

Fuhler richtte de groep Carduelis Carduelis op, toerde met het gamelan-gezelschap Raras Budaya, speelde als gast bij het Maarten Altena Ensemble, maakte met Palinckx een Europese tournee, speelde in Indonesië, kreeg compositie-opdrachten van de provincie Drenthe en de NPS-radio, trad toe tot de Astronotes van trombonist Joost Buis en richtte een trio op met bassist Wilbert de Joode en slagwerker Han Bennink. Hij is te horen op zeven cd's van anderen, waaronder drie van Palinckx. Onlangs verscheen zijn eerste eigen cd, 7 CC IN 10, waarop hij 'prepared' piano speelt in stukken met titels als 'Schoenveters' en 'De Koningin van Sorry'. Geen muziek in het genre 'lekkere deunen'.

“Ikzelf kan hele frasen zo meezingen, maar inderdaad: het zijn voornamelijk improvisaties. Ik had wel een paar uitgangspunten toen ik begon, maar die waren soms heel summier. Het gaat me vooral om de frisheid van dingen. Voor 'De Koningin van Sorry' - soms heb je een titel en dan denk je: die past - had ik vijf akkoorden in mijn hoofd. Voor de rest wist ik niet hoe het zich zou gaan ontvouwen. Voor de samenstelling van de plaat heb ik gelet op dingen als: welke versie is de kernachtigste, de meest poëtische, of wat betreft lengte het meest geschikt.

“Bij improvisatie gaat het vaak om de juiste timing. Je zit te broeden en dan moet er een kuikentje komen. Laat je het goede moment voorbijgaan, dan is het beestje dood. Ik bedoel: je hebt dingen in je hoofd en die moeten eruit, zo simpel is het.

“Sommige luisteraars denken bij het begrip 'improvisatie' direct aan een massa kabaal, maar dat berust op een misverstand. Een van de kenmerken van een goede improvisator is juist dat hij weet wanneer hij zijn kop moet houden. Het sterkste voorbeeld daarvan beleefde ik een keer in Den Haag waar ik in trioverband improviseerde. We waren op een bepaald moment alle drie stil maar voelden dat het stuk nog niet uit was. Het publiek zweeg en wij ook en dat bleef zo gedurende drie minuten en veertig seconden. Pas toen volgde er nog een wolkje nootjes en was het stuk definitief uit. Zo'n magische stilte is waarschijnlijk uitzonderlijk, maar stilte is wel wezenlijk voor alle muziek, want zonder dat is er geen frasering.

“Als ik speel of schrijf ben ik altijd vóór en nooit tegen iets. Soms ben ik heel naïef en denk ik dat wat ik mooi vind door anderen automatisch ook direct wordt geapprecieerd. Dat is dan een verkeerde taxatie maar geen reden de luisteraar een volgende keer naar de mond te praten. Muziek moet in elk geval integer zijn. Je moet ook op een integere manier naar anderen luisteren. Je kunt muziek naar je toetrekken en dan wordt het iets van jou, maar als dat niet lukt, dan moet je afstand nemen. Niet rood van woede of zwaar gefrustreerd, maar erkennend dat anderen bepaalde dingen blijkbaar beter kunnen. Ik heb dus geen moeite meer met heel knappe muziek, ik kan er ontzettend van genieten. Zo valt op de meeste gebreken wel iets te vinden: ik kan bijvoorbeeld niet zo goed dansen, daarom doe ik het met mijn tenen.”

    • Frans van Leeuwen