Ik herkende iedereen

Thuis had niemand het willen geloven. En omdat niemand het wilde geloven hield ik zelf op erin te geloven en omdat ik ophield erin te geloven hield ik op eraan te denken en zo verdween het uit mijn herinnering.

Ik zat in de trein naar Enschede waar ik een lezing moest houden voor middelbare scholieren in de bibliotheek. Ik had net bedacht dat ik nog nooit in Enschede was geweest toen die doodgewaande herinnering zich aan mij opdrong. In de tijd dat ik op het gymnasium zat deed ik af en toe verkeerstellingen voor bureau Goudappel. Ik liet mevrouw Goudappel naar de rector bellen om te zeggen dat ik ziek was en reisde vervolgens met mijnheer Goudappel het hele land door. Deze keer werd ik gedropt op een landweggetje in de buurt van Enschede. Ik installeerde me in de berm, legde mijn schrijfblok op mijn knieën en wachtte. Die middag telde ik één tractor, één Amerikaanse stationcar en twee fietsen. Tegen het eind van de middag werd ik onrustig. Ik zou worden opgehaald door mijnheer Goudappel maar hij was in geen velden of wegen te bekennen. In de witte bungalow in de verte gingen de eerste lampjes aan. Ik pakte mijn spullen bij elkaar en liep in de richting van het licht. Op de oprit stond een Amerikaanse stationcar. Een donkere man in een keurig pak was de koperen brievenbus aan het poetsen. Ik sprak hem aan en vertelde dat ik bang was dat mijnheer Goudappel mij vergeten was op te halen en of ik even mevrouw Goudappel mocht bellen om te vragen of haar man misschien zonder mij was thuisgekomen. Hij liet me glimlachend binnen en wees me de telefoon aan het einde van de gang. Toen een vrouw met opgestoken haar uit de keuken tevoorschijn kwam en naast de man ging staan herkende ik hen plotseling. Het waren Gert en Hermien! Overal aan de muur zag ik nu gouden platen glinsteren. Mevrouw Goudappel stelde me gerust. Ze zei dat haar man nog nooit een van zijn studenten had laten staan. Op dat moment ging een deur van een slaapkamer open en zag ik in een flits een meisje van mijn leeftijd in een T-shirt en een onderbroekje. Boven haar lippen hing een donkere schaduw. Ook haar herkende ik! Op een zomerkamp voor kinderen in Mosterdveen had ik haar gezien. We waren tien en ik at er voor het eerst en het laatst van mijn leven bloedvlees. Zij was het enige meisje met borsten. Ze had zwarte haren, donkere ogen en een licht snorretje. Wij dachten dat ze een wild zigeunermeisje was. Nu had ze met een klap de deur weer dichtgetrokken. Uit haar kamer klonk extatische gitaarmuziek. Hermien liet me aan haar keukentafel plaatsnemen en schepte een bordje erwtensoep voor me op. Terwijl ik mijn lepel naar mijn mond bracht keken zij en Gert me lief glimlachend aan zoals ik ze ook in 'Op Volle Toeren' had zien doen. Maar ik deed alsof ik hen niet herkende en vroeg geen handtekening. Dat had ik wel moeten doen want ik had die avond thuis beslist bewijsmateriaal kunnen gebruiken. Gert fluisterde: Hij komt wel, jongen. Hij komt wel. Hermien knikte bevestigend. De dochter liep een paar keer in haar badjasje en op hoge hakken door de gang zonder een blik in de keuken te werpen en sloot zich dan weer op in haar slaapkamer. Toen ik mijn soep op had en Hermien me wilde bijscheppen hoorden we een luid getoeter. Gert en Hermien stoven opgewonden naar de voordeur en riepen: Hij is er, hij is er! Een moment dacht ik dat ze Hem bedoelden. Ik pakte mijn rugzakje, bedankte Gert en Hermien voor alle goede zorgen en liep naar de auto van mijnheer Goudappel. Vanuit de deurpost zwaaiden de twee me vol blijdschap uit. Ze maakten daarbij hun bekende alle-duiven-op-de-Dam-danspasjes. De gouden platen hingen als aureolen boven hun hoofd. Vanachter haar raam stak de dochter venijnig haar tong naar me uit.