Het verkeerde been

Het doet denken aan een griezelfilm. De kunst die de passant opwacht bij iedere straathoek, die thuis door zijn openstaande raam naar binnen komt, en als hij het dicht doet, nog door de kieren sijpelt. De kunst die door de telefoon het huis in lekt, die langs glasvezelkabels en radiogolven kruipt waar zij niet gaan kan. Dat schrikbeeld rijst op uit het betoog van Dirk van Weelden, vorige week in het Cultureel Supplement.

En dat de kunst dat doet, dat zij zoals Van Weelden schrijft, 'daadwerkelijk overvloeit in de wereld van mode, dansfeesten, technologisch onderzoek, grafisch ontwerp of muziekvideo's', schijnt zo te zijn omdat zij nu eenmaal digitaal is geworden, en daarom plekken bereikt waar zij vroeger niet kwam. Maar dat is nog niet het beklemmendste.

Nee, het engste is dat zij de passant aan zijn jas trekt en eist dat hij meedoet. De toeschouwer heeft een nieuwe rol gekregen. Hij moet actief deelnemen aan de wondere wereld van de getallenreeks. Hij moet, om maar iets te noemen, plastic matjes buigen, wrijven en wringen om te helpen de reeds in brokjes vergruizelde geluidsstroom uit een discotheek te beïnvloeden. Hij moet een digitale mentaliteit ontwikkelen om méé te communiceren met de datastromen die elkaar kruisen met, naar het schijnt, fascinerende gevolgen.

Je zou er kippenvel van krijgen. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de 'collectieve sociale sculptuur van het Internet', die bij dit alles zo'n belangrijke rol speelt. Zelf zijn we nog nooit langs een 'eigenhandig geopend winkeltje' van een installatiekunstenaar gekomen, laat staan dat we zijn uitgenodigd voor een van zijn 'extravagante feesten'. Wij missen duidelijk het belangrijkste. Want de kunst zal digitaal zijn, of zij zal niet zijn. En het idee van een origineel werk is weg, want 'er kan gekopieerd worden zonder verlies, een kwestie van het herhalen van een cijferreeks'.

Hoe modern, ja misschien postmodern klinkt dit alles.

Toch heeft het ook iets vagelijk vertrouwds. Dat van die toeschouwer middenin het kunstwerk - waar hebben wij zulke kreten meer gehoord? Natuurlijk, bij de futuristen, anno 1910 of daaromtrent. Het geluid van de straat dringt door in het huis, heet een werk van Umberto Boccioni (1882-1916): die experimenteerde met de vermenging van beelden, geluiden, sferen, met krachtlijnen, wat al niet. En helemaal met de hand, zonder zelfs maar te vermoeden dat het digitaal zo veel makkelijker zou worden.

Hetzelfde geldt voor de arme Walter Benjamin (1892-1940), die alweer zestig jaar geleden zijn studie publiceerde over het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. Geen notie had hij van de 'brute digitalisering' die volgens Van Weelden de wereld van de kunst op zijn kop zou zetten. Maar denken kon Benjamin wel, en hij zag in 1936 een probleem dat sommige mensen pas herkenden toen het zich hulde in de nieuwe kleren van de computertechniek.

Dat oude ideeën voor kakelvers worden verkocht, is op zichzelf natuurlijk niets nieuws. Maar opmerkelijk is de totale miskenning, in betogen als dat van Van Weelden, van de vraag of de digi-kunst zelf, al dat gekraak van boterhamzakjes en gegoochel met informatiestromen, eigenlijk wel interessant is. Je hoort weinig wat daarop wijst.

Dit hangt natuurlijk nauw samen met de vraag wat je überhaupt van kunst verlangt. Daarover is in alle tijden verschillend gedacht, maar op het ogenblik waart er een definitie van kunst door de hoofden en de teksten van spraakmakend Nederland die qua platheid moeilijk te evenaren is. Benno Premsela verwoordde haar dit jaar in een uitgelezen gezelschap van kunstenaars en intellectuelen dat optrad in een kunstprogramma op de tv, over Van Doesburgs dancing Aubette. 'Mensen op het verkeerde been zetten, dat is toch de definitie van kunst?' Niemand sprak hem tegen.

Verwarring zaaien, verontrusten, ziedaar volgens Premsela (en velen met hem, je bent kunstpaus of je bent het niet) iets heel moois, en in één moeite door de opdracht van de kunstenaar. Grappig: eeuwenlang is juist het tegendeel als ideaal beschouwd. Maar hier is uit het feit dat een groot kunstwerk soms, als neveneffect, de kijker met een hulpeloos gevoel achterlaat geconcludeerd dat het daarom gaat.

Als het zó is, denkt Pietje Puk, dan kan ik ook meedoen. En hij zet zich aan het verhaspelen van informatiestromen alsof zijn leven ervan afhangt. Klinkt daar het geluid van een discotheek? Zien wij een zieke op een brancard? Of is het toch het kindje Jezus en komen de geluiden uit de radio in een bouwput? Geen idee - en voilà, hooggeëerd publiek, er is weer kunst bijgekomen.

De cultuur wordt digitaal, zegt Van Weelden. Hij spreekt van 'communicatie via media, oftewel door mensen gevulde en bediende machines waardoorheen reusachtige stromen gegevens stromen'. Je ziet ze stromen, door oneindig laagland, en de vraag dringt zich op wat er eigenlijk in zit. Welke muziek, welk beeld, welke tekst? Allemaal ideetjes van Pietje Puk? Is de inhoud willekeurig? Gaat het om - ach god, er komt weer een denker uit de oude doos om de hoek kijken, Marshall McLuhan met zijn media die de message zijn, ik kan het ook niet helpen.

Als je gelooft dat een kunstwerk nog iets meer moet doen dan de beschouwer op het verkeerde been zetten doet het er weinig toe hoe dat kunstwerk tot je komt. Een goede reproductie is beter dan niks, het origineel gaat vrijwel altijd boven een kopie, en alleen in heel enkele gevallen - film, videoclips - luistert het minder nauw.

Ik zou zeggen: een groot deel van de communicatie is digitaal geworden. U vindt dat geen verrassende mededeling, en u hebt gelijk. Maar zij is begrijpelijk en correct, terwijl de uitspraak dat de cultuur digitaal wordt, geen van beide is.

    • Ileen Montijn