De nationale eer

Toen de Franse regering begin dit jaar de strijd tegen het Nederlandse drugsbeleid begon, was het al duidelijk: daarmee was een conflict geboren dat beide partijen zou verleiden zich in te graven.

Senator Paul Masson noemde Nederland een narco-staat (hoewel hij later weer verklaarde dat hij het niet zo gezegd of bedoeld had, maar de term bleef hangen en dat was het belangrijkste) en voor veel Nederlandse instanties was dit een gelegenheid om zichzelf geluk te wensen met het succes van het tolerante beleid, in het bijzonder het onderscheid dat hier tussen hard- en softdrugs wordt gemaakt. De cijfers bewijzen het: minder verslaafden, minder HIV-geïnfecteerden en aidspatiënten. Toen had men al het stadium bereikt waarin meningen meer tellen dan feiten. Maar de zomer kwam ertussen. De Fransen bleven het Nederlandse beleid verwerpelijk vinden en omgekeerd idem, maar men viel elkaar niet lastig. Een poosje leek de vete weg te sudderen. Een illusie dat dit zou kunnen duren.

Intussen heeft Nederland de grenzen van de tolerantie nauwer getrokken, terwijl de Franse regering een nieuwe manoeuvre heeft voorbereid en daarvoor bondgenoten gezocht en waarschijnlijk gevonden. Op 28 november komt in de vergadering van de Europese Unie een concept ter tafel dat, als het wordt aangenomen, de lidstaten zal verplichten tot gemeenschappelijk optreden tegen 'de drugs', alle drugs. Niet alleen moeten alle leden dan dezelfde afkeer van de drugscultuur in al haar verschijningsvormen beleiden, maar ook naar deze overtuiging handelen. Kort gezegd: alles wat met drugs te maken heeft moet achter de tralies en dit liefst zo lang mogelijk.

Voor Nederland zou dit een nationale capitulatie betekenen, de witte vlag gehesen voor een macht met opvattingen die hier worden verworpen. Over het algemeen wordt het in de politiek en de diplomatie als aanbevelenswaardig beschouwd de tegenstander niet in een positie te brengen waar hem alleen de uitweg wordt gelaten die kruipend moet worden afgelegd. Dit is in de vraagstukken van het drugsbeleid de lijn die Frankrijk tegen Nederland volgt. Natuurlijk weet de Franse regering dat ze op deze manier Nederland in een hoek probeert te drukken. Daaruit volgt dat ze gelooft zó stevig te staan dat ze het zich kan veroorloven, met verwaarlozing van het effect dat de Nederlandse nederlaag zou hebben. Het is geen Europees-idealistische politiek, maar een poging tot een les in machtsverhoudingen.

Geen wonder dat minister-president Kok en de andere kabinetsleden daarop nee zeggen. Dat hebben ze aan het begin van het jaar gedaan. Sindsdien heeft zich hier geen omwenteling in de visie op het drugsprobleem voltrokken. Dus zegt Nederland opnieuw nee. Buitenlandse bemoeienis met het Nederlandse drugsbeleid is een inbreuk op de Nederlandse soevereiniteit, daar komt het op neer. Tot zover geen misverstand.

Daaruit ontstaat binnenslands een merkwaardige, tweeslachtige situatie. Het nationale drugsbeleid is in onze binnenlandse politiek onderwerp van constant debat. In de buitenlandse politiek is het een zaak van nationale eer geworden. Dit belemmert de vrije gedachtenwisseling, hoewel er over de binnenlandse toestand nog wel het een en ander te zeggen valt. Veel buitenlandse deskundigen op het gebied van de drugs waarderen de Nederlandse aanpak - de therapie en de decriminalisering van verslaafden - maar begrijpen niet hoe daarmee de inbreuken op de wet worden gerechtvaardigd die hier worden samengevat als gedoogbeleid . Het 'gedogen' op zichzelf is het allergrootste deel van het buitenland een volstrekt raadsel: waarom men wetten maakt en die dan - als bepaalde niet nader omschreven omstandigheden daartoe dwingen - met oogluikende instemming tot bedekte bijval massaal laat overtreden. Dat is niet alleen voor de Fransen (aan wie we de nauwkeurigheid van de code civil te danken hebben) onverklaarbaar. Veel andere, ook zeer beschaafde landen in de Europese Unie begrijpen er niets van.

Als in een land een bepaald omstreden produkt nagenoeg vrij te koop is, terwijl de omringende landen het hebben verboden, trekken de liefhebbers naar het land van de vrije verkoop. Dat is een economisch verschijnsel. Nederland heeft een uitstekende vuurwapenwet. In Frankrijk en België is lange tijd gevarieerd schiettuig gewoon in de supermarkt verkrijgbaar geweest. Nog altijd dient het tot gereedschap bij roofovervallen, ook buiten deze landen.

Nederland heeft een wereldreputatie op het gebied van de vrije verkoop van softdrugs. Niet alleen de beschaafde gebruikers komen in Terneuzen en Rotterdam hun inkopen doen; ook de niet zo keurige die dan 'overlast' veroorzaken tot stad of buurt dat beu wordt en het recht in eigen hand wil nemen. Na Cruijff en Van Basten komen weed en joint. De burgemeester van Delfzijl (stad met een standbeeld van Simenons commissaris Maigret) wil een softdrugswinkel van gemeentewege. Het is een nobel denkbeeld maar het werkt niet - of niet zoals hij het wil.

Het vraagstuk van de Nederlandse drugspolitiek is dat daarin de goed verdedigbare kant van therapie en betrekkelijke beheersbaarheid onverbrekelijk verbonden is geraakt met het vraagstuk van een distributie die zich altijd aan een aanvaardbare controle zal onttrekken, en dat dit geheel tot een nationale zaak van eer is geworden.

Het begrip globalisering is in de mode. Nederland is het enige land dat, natuurlijk niet expliciet maar wel naar de geest van zijn beleid, de globalisering van de softdrugs voorstaat. Zo wordt het in het buitenland begrepen en er is daar geen regering, hoe begripvol ook, die daarmee zelfs een vleugje zal sympathiseren. Dat is de internationale werkelijkheid waartegen Nederland de eer van zijn nationale soevereiniteit verdedigt.