Wisselende 'authenticiteit' in vier korte opera's

Voorstelling: Livietta e Tracollo; La serva Padrona van G. Pergolesi door de Nationale Opera Brussel en La Petite Bande o.l.v. Sigiswald Kuyken. Decors en kostuums: Luisa Spinatelli; regie: Ferrucio Soleri. Gezien: 14/11 Lunatheater Brussel. Herhalingen: t/m 23/11.

Voorstelling: Venus and Adonis van J. Blow en Dido and Aeneas van H. Purcell door de Vlaamse Opera en Il Fondamento o.l.v. René Jacobs. Decor: Benoît Dugardyn; kostuums: Lez Brotherston; regie: Stephen Lawless. Gezien: 17/11 Opera Gent. Herhalingen: t/m 23/11 Gent; 13 t/m 20/12 KVO Antwerpen.

De Brusselse Nationale Opera en de Vlaamse opera brengen elk een dubbelvoorstelling met twee korte opera's uit de jaren rond 1700, begeleid door authentieke orkestjes onder leiding van twee Belgische grootheden op dit gebied: Sigiswald Kuyken en René Jacobs. Beide voorstellingen hebben in de visueel prachtige scenische uitwerking ook veel 'athenticiteit' en classicisme.

Maar na al die overeenkomsten zijn er bijna nog alleen maar veel verschillen. In Brussel staan met Livietta e Tracollo en La serva padrona, beide van Pergolesi, twee intermezzi op het programma, korte komische operaatjes die vroeger tijdens lange zware operavoorstellingen werden uitgevoerd als lichte entr'acte. Bij de Vlaamse Opera zijn Venus and Adonis van John Blow en Dido and Aeneas Engelse operaatjes van nogal zwaar kaliber: beide lopen slecht af - Adonis sterft, Aeneas verlaat Dido - en eindigen met klachten van hun eenzaam achtergebleven geliefden, die alleen nog maar kunnen wachten op hun verlossing door de dood.

De Brusselse Pergolesi-voorstelling streeft ondanks het gebrek aan intimiteit in de tribune-zaal van het Lunatheater naar veel authenticiteit, al wordt het maximum niet bereikt. Voor de scène staan schelpvormige voetlichten (die overigens niet als zodanig werken), er is een souffleurshokje (ook al ongebruikt) en het geschilderde coulissendecor lijkt het resultaat van het in elkaar zetten van een theaterbouwdoos.

In beide operaatjes gaat het om verkleden. In Livietta e Tracollo dost zij zich uit als een boer en hij als een stelende bedelares. Na een confrontatie als tegenstanders is er de transformatie tot gelieven. Zo gaat het ook in La serva padrona: de dienstmeid heeft de broek aan, haar baas heeft niets in te brengen. Zij maakt hem jaloers door te doen alsof kapitein Storm (de verklede huisknecht) haar wil huwen. Dan trouwt hij met haar, maar verder verandert er niets: ze was hem immers al de baas.

In de uitbeelding zijn ondanks de minutieuze aandacht voor realisme de geloofwaardigheid en de realiteit ver te zoeken. Wat men kan beschouwen als 'ouderwetse knulligheid in een steriele uitvoering' heeft hier dankzij regisseur Ferricio Soleri een zorgvuldig gedetailleerde dubbele bodem. Het Italiaanse publiek zal vroeger goeddeels hebben gedacht dat het hier ging om eenvoudige rechttoe-rechtaan verhaaltjes. En de voorstellingen zullen wel zijn gegeven met een luidruchtiger publieke reactie en bijval voor de wendingen in de handeling dan nu het geval is tijdens deze voorstelling met een nogal academische en conceptuele uitstraling.

Want wie ooit een toneelstuk van Harold Pinter heeft bijgewoond, bemerkt onmiddellijk een andere laag en doorziet de handeling als het spel met elkaar, het doen alsof met een zeer lichte sado-masochistische inslag. De gelieven Livietta en Tracollo testen en bevestigen hun liefde en zo is het ook met de dienstmeid en haar baas, een echtpaar dat natuurlijk al lang getrouwd was en de inmiddels saaie relatie wilde opvrolijken. Zij mocht nu kennelijk eens voor één keer de baas in huis zijn.

De dubbelvoorstelling van de Vlaamse Opera heeft een serieuzer en een hedendaagser karakter, dankzij een opmerkelijke kunstgreep. Venus and Adonis (1681) en Dido and Aeneas (1689) worden niet alleen zonder pauze achter elkaar gespeeld, ze lopen zelfs in elkaar over: als in een estafette geeft Venus aan Dido Amors pijl over. Bovendien worden ze ook nog deels in elkaar geschoven. Dat kan gemakkelijk, niet alleen wegens de identieke handeling, maar ook omdat Amor in beide operaatjes optreedt, bijgestaan door een legertje Cupidootjes - met vleugeltjes vermomde Engelse koorjongetjes, die ook nog rondvliegen.

De voorstelling van regisseur Philip Lawless lijkt oppervlakkig bezien te stammen uit de school van Karl-Ernst Herrmann: een klassiek vormgegeven ruimte (een observatorium waar de sterrenhemel wordt geobeserveerd en waar goden, heksen en geesten heersen), omgeven door een Engels landschapspark, dat zich voortzet in de loges en een proscenium, waar herders en jagers zich ophouden en Adonis wordt gedood door de Aedalische ever.

De perfectie en de verborgen theatertechniek van Herrmann ontbreken. Maar het voorbeeld kon slechter worden gekozen, het refereert fraai aan het Rule Brittania-Engeland waarin Newton in 1686 de wetten van de hemelmechanica formuleerde. Prachtig is het slotbeeld in Dido and Aeneas waarin Aenaes Dido in Carthago verlaat. Door de hoge vensters zien we op de achtergrond zijn schip wegvaren als een reusachtig achterdoek met een zeeschilderij voorbijglijdt. Dan sluit Dido de luiken en treurt om Aeneas, bijgestaan door Venus, haar zuster in treurnis, na de dood van Adonis.

Wie heel streng is kan zeuren over de ongelijke kwaliteit van beide stukken - maar wie positiever luistert, kan het juist interessant vinden te bemerken hoe snel en hoe veel Henry Purcell zijn tien jaar oudere collega John Blow in het componeren wist te overtreffen. Zowel de Brusselse als de Vlaamse voorstelling wordt uitstekend gezongen en begeleid, al lijkt Jacobs met zijn al te eenvoudige dirigeertechniek soms iets te weinig greep te hebben op de ontwikkeling van het drama. Dido's beroemde klacht When I'm laid in earth maakte bij de première in de uitvoering van Susan Maclean nog onvoldoende indruk. In Brussel klinkt met de sopranen Nancy Argenta en Patrizia Biccirè alles even prachtig, spits, fris en briljant.

    • Kasper Jansen