Patiënt telt steeds minder mee

Staatssecretaris Terpstra (Welzijn) trok gisteren onder zware druk van de Tweede Kamer 40 miljoen gulden extra uit om de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg te bekorten. In het debat klonken de noodkreten door uit het veld. Volgens Geeske Donga wordt de zorg zonder overtuigende politieke ruggensteun almaar slechter.

Ik werk nu vijftien jaar in de gezondheidszorg. De zorg moet beter, zo hoor ik al jaren om mij heen. Een paar jaar terug adopteerde de politiek een slagzin van verpleegkundigen in actie: meer handen aan het bed. De praktijk is dat de werkdruk af en toe een jaartje gelijk blijft, maar als trend gewoon verder stijgt. Bijna overal: in verpleeg- en ziekenhuizen, in de thuiszorg en in de psychiatrie. In een deel van de sector gaat daardoor iets grondig mis.

Op sommige plekken in de gezondheidszorg is de druk op de kwaliteit hoger dan op andere plekken. De ene patiënt is de andere niet. Al maanden loopt de discussie of mensen die werken eerder geopereerd mogen worden dan thuiszitters. Ondertussen staat men er niet bij stil dat in de psychiatrie al jaren drie keer zo veel personeel wordt gezet op acute patiënten (van wie een deel een baan heeft) als op 'chronische gevallen' (dat zijn mensen die vaak al tien jaar of langer in een psychiatrisch ziekenhuis wonen). Voor deze groep is het hoofddoel van de zorg meestal het tegengaan van verdere achteruitgang.

Ik keer mij niet af van een gewogen keuze voor maatschappelijk nut. Er zijn goede argumenten om meer geld uit te geven aan patiënten die in de toekomst weer wat kunnen opleveren voor de samenleving. Maar dit beleid heeft vervelende bijwerkingen. Structurele ellende voor een deel van de psychiatrische patiënten is het gevolg.

Ik heb elf maanden gewerkt op een afdeling voor oudere, chronische patiënten, ergens in het duingebied. Daar heb ik van collega's die er al jaren werkten, gehoord dat er nog geen tien jaar geleden voorzieningen waren voor de patiënten om de dag prettig door te komen. Men ging wel eens met een busje een dag er uit, wandelde af en toe met patiënten, er werd zelfs vrij structureel iets gedaan aan therapie. Daar is weinig meer van over. Ik zal de ellende in onze psychiatrie aan de hand van wat situaties en gevallen beschrijven.

Er waren duidelijke aanwijzingen dat een patiënt een andere patiënt één of enkele keren had verkracht. Het slachtoffer was zelf niet in staat aangifte te doen, als ze dat zou willen. Maar dat was nog niet het ergste. De verpleging heeft, ook toen er duidelijke aanwijzingen waren, haar niet kunnen beschermen. Er werd voorgesteld de vermoedelijke dader over te plaatsen.

Tot mijn verbazing bleek het gebruikelijk te zijn dat een overplaatsingsprocedure maanden duurt. Natuurlijk was er in die tijd gelegenheid voor herhaling van “het ongewenste en afdelingsontwrichtende gedrag”. Werkdruk was een belangrijke factor in deze kwestie. Snellere overplaatsing kon mogelijk bereikt worden door er meer werk van te maken. Niemand heeft ooit harde bewijzen verzameld door bijvoorbeeld spermaonderzoek te laten doen. Ook hield bijna alles wat de overplaatsing kon vervroegen meer papierwerk in. En de tijd die men daaraan besteedt gaat van de directe patiëntenzorg af.

Wat andere voorbeelden. Een patiënt, door onzorgvuldigheid op een afdeling terechtgekomen waar ze niet past, slaat en schopt dagelijks en weken achter elkaar andere patiënten. Ze wordt als straf buiten in de kou gezet. Ze is zwakbegaafd, en meestal vergeet ze de in haar handen geduwde jas aan te doen. Dat wordt te gek, en dan besluit de psychiater dat ze voortaan op haar kamer moet worden opgesloten. Dat daarmee een wetsbepaling wordt overtreden, is overmacht. Andere patiënten nemen na enige tijd wraak: ze wordt met een vork diep in haar arm geprikt.

Lakens worden niet verschoond, patiënten niet gewassen, wonden door een combinatie van drukte en onoplettendheid pas na enkele dagen ontdekt. Een patiënt wordt niet naar bed gebracht, vergeten, en uren later in de woonkamer ontdekt door de nachtdienst, met een plas onder de stoel, omdat de wc te ver is om zelfstandig te bereiken.

Werkdruk zou men kunnen aanwijzen als belangrijkste oorzaak, maar er is meer aan de hand: men zet zich vaak niet meer in om de patiënten zo goed mogelijk te verzorgen. Nog meer voorbeelden? Een verpleegkundige die een patiënt slaat - het gaat om een lastige en niet zo sympathieke patiënt - krijgt van bijna alle collega's een wat lacherige en begripvolle reactie.

Men werkt stiekem in het weekeinde niet acht uur, maar zo'n zes uur. Idem op doordeweekse dagen, als de leiding het niet merkt of wegens vergadering afwezig is.

Patiënten betalen aan de verpleging maandelijks een klein bedrag voor frisdrank, koekjes, en dergelijke. De helft van de koekjes staat in het kantoor, waar de patiënten niet kunnen komen. Het personeel eet ze op.

Veel verpleegkundigen op deze afdeling zijn in de loop der jaren hun motivatie om de patiënten zo goed mogelijk te verzorgen kwijtgeraakt.

Geldtekort en werkdruk zijn de oorzaak van een inmiddels rotte werkmentaliteit. Ik heb in de vijftien jaar dat ik in de gezondheidszorg werk nog nooit zulke misstanden meegemaakt. Maar ik had ook nog nooit op een werkplek gezeten waar zo duidelijk te weinig geld was voor de noodzakelijke zorg.

Ook op het niveau van het management zijn de gevolgen merkbaar. Het is niet aangenaam leidinggeven als het je aan middelen ontbreekt. Op deze afdeling heerst ook op dat niveau inmiddels demotivatie en slechte kwaliteit: men maakt zich voornamelijk druk om het kloppend houden van de papierwinkel.

Dat geeft enerzijds bevrediging, (“ik heb er het mijne aan gedaan”) en anderzijds is men ingedekt als er ooit iets aan de kaak gesteld wordt, door familieleden van patiënten of in de krant.

Ik wilde mijn motivatie om goede zorg te leveren behouden. Dat zou me niet lukken op deze afdeling. Ik ben er weg, en ik zal zorgen dat ik nooit weer op zo'n afdeling kom te werken. Want de problemen zijn op al dit soort afdelingen vergelijkbaar. Ook op die plekken in Nederland waar de zorg aan deze groep beter in orde is, is het risico dat het eens misgaat groot.

De gemiddelde verpleegkundige kan niet zijn werk jarenlang gemotiveerd en met een open houding blijven doen als de voorwaarden waaronder hij moet werken een constante bedreiging zijn voor de kwaliteit van de zorg. Laat niemand zichzelf geruststellen met de gedachte dat ik een uitzondering beschrijf: er is geen enkele reden waarom ik de énige rotte plek beschreven zou hebben die er is.

Dan staat de vraag open of ik een oplossing zie. Nee, die zie ik voorlopig niet. Een oplossing zou in elk geval ook op politiek niveau zichtbaar moeten zijn. Maar sinds de dagen van het ethisch reveil van oud-premier Van Agt hebben zijn opvolgers vele oproepen gedaan voor zorgzaamheid, goed nabuurschap, verantwoordelijk burgerschap. Maar wat men ook denkt van al die pleidooien: als het mijn collega's en mij op mijn vorige afdeling gelukt was daar invulling aan te geven, dan had ik dit stuk niet hoeven schrijven.

Maatschappelijk nut zal een belangrijke factor blijven in de verdeling van middelen. Misschien dat er wat incidenten komen met genoeg nieuwswaarde om geldstromen om te buigen, maar groot lijkt die kans me niet. De onderkant van de zorg is bijna onzichtbaar, de patiënten hebben geen stem in het publieke debat. En daarom zal de versobering toenemen.