Openbaar ministerie kent plaats niet

In mijn pleidooi voor een heldere staatsrechtelijke bevoegdheidsverhouding tussen openbaar ministerie en minister heeft Van Manen (NRC Handelsblad, 9 november) gelezen dat ik “tegenstanders van centralisatie de mond wil snoeren” en leden van het OM “monddood wil maken”.

Daarmee wordt mijn missionaire ijver overschat. Ik heb geschreven (NRC Handelsblad, 5 november) dat het geen pas geeft dat het college van procureurs-generaal publiekelijk kenbaar maakt dat men protesteert tegen de plannen van de wetgever. Dat wil niet zeggen dat ik meen dat het debat over het OM alleen maar door de minister en het parlement zou mogen worden gevoerd. Integendeel, de discussie die wij nu voeren maakt duidelijk dat daarbij een brede kring van participanten betrokken is (en ook moet zijn).

Wat Van Manen over de historie opmerkt is onjuist. Hij denkt dat er historisch een “relatief onafhankelijke positie van het OM” is gerealiseerd. In 1827 werd echter door minister Van Maanen (what's in a name?) een centralistisch OM wettelijk vastgelegd. Daarvan is alleen in de strafrechtelijke doctrine afstand genomen. Noch de Grondwet, noch de wet vestigt een onafhankelijk OM; ook niet een “relatief onafhankelijk” OM. Het voorbeeld van “Belgische toestanden” (of “Italiaanse toestanden”, ook een populaire verwijzing in dit verband) wijst juist op het gevaar van een democratisch niet te controleren OM. Het kan dus beter door mij worden opgevoerd dan door Van Manen. Ik doe het echter niet omdat er gecorrumpeerde systemen zijn aan te wijzen met en zonder een (on)afhankelijk OM. Men moet hier waken voor het ten onrechte leggen van causaal verband.

Het voorbeeld van de IRT-affaire “dat ik zelf uit de kranten had kunnen halen” is mij niet ontgaan. Maar het wijst andermaal op de gevaren van een onafhankelijk en dus niet te controleren OM. Officieren stellen zich onafhankelijk op ten aanzien van hoofdofficieren; hoofdofficieren luisteren niet naar PG's; en PG's protesteren tegen de minister. Die cultuur moet veranderen en daarvoor hebben we duidelijke wetgeving nodig die het primaat van de democratische politiek herbevestigt.

Deze of gene politiefunctionaris of lid van het OM vervangen is volstrekt onvoldoende en ineffectief. Minister Sorgdrager (Justitie) is bekritiseerd omdat zij te weinig mensen de laan uitstuurt. Die kritiek is niet terecht. Zij ziet hoe diep de crisis zit (zij ziet dat beter dan Van Traa, die gepreoccupeerd blijft met de poppetjes) en begrijpt kennelijk dat het gaat om het veranderen van de gehele cultuur en juridische structuur van het opsporings- en vervolgingsapparaat. Daarvoor heeft zij op 28 juni een expliciet standpunt aan de Kamer voorgelegd. Die brief van 28 juni trekt inderdaad de lijn door dat er opdrachten kunnen worden gegeven tot vervolging, niet-vervolging en de hoofdlijnen van een requisitoir. Terecht, lijkt mij. Van Manen wijst onder andere de opdracht tot niet-vervolging af. Maar dat betekent dat hij de beslissing tot niet-vervolgen (die sowieso talloze keren gemaakt wordt in het kader van het sepot) wel wil laten plaatsvinden onder de eindverantwoordelijkheid van een niet te controleren, niet te beheersen, ja in het geheim opererende instantie: de officier. Dat lijkt mij niet zo verstandig.