Nederlands veto moet drugsbeleid redden

De door Frankrijk in Brussel voorgestelde Action Commune ter bestrijding van drugsverslaving en -criminaliteit is - ondanks de geruststellende woorden terzake van minister-president Kok - wel degelijk een gevaar voor het voortbestaan van het Nederlandse drugsbeleid.

Dit beleid is in een groot aantal opzichten succesvol en dient dus te worden verdedigd. Probeert men op de top van de Europese Unie in Dublin desondanks de voorgelegde tekst - hoe ook geamendeerd - door te drukken, dan moet een Nederlands veto worden uitgesproken.

De in het voorstel beoogde harmonisering van regelgeving, bestuurspraktijken en straftoemeting (!) in de door Frankrijk gewenste richting is niet alleen schadelijk voor Nederland. Zij leidt ook tot een schadelijk Europees drugsbeleid, een beleid namelijk van op centraal regeringsniveau beleden fanatiek prohibitionisme, zoals dat thans reeds in de Verenigde Staten, in Frankrijk en in Zweden hoogtij viert. De funeste gevolgen daarvan zijn te constateren in achterbuurten, voorsteden, gevangenissen, klinieken en statistieken van een aantal landen. Het zou tragisch zijn Europa op te zadelen met een dergelijk 'prohibitionistisch handvest', juist op het moment dat het 'Nederlandse model' in Europa steeds meer waardering en navolging vindt. Ook om die reden moet zonodig een Nederlands veto worden uitgesproken.

Voor het verdere Europese integratiebeleid is het Franse voorstel bovendien een signaal in de verkeerde richting. Hierdoor wordt als het ware een informeel 'verdrag' tussen de lidstaten gesloten op zulke gevoelige en identiteitsbepalende gebieden als criminaliteitsbestrijding, politieoptreden, bestuurlijke tradities, rechtspraak en zorg voor de volksgezondheid. En dat alles zonder dat de objectiverende rol van de Europese Commissie, de controlerende en wetgevende rol van het Europese Parlement of de interpreterende en rechtsbeschermende rol van het Europese Hof van Justitie er aan te pas komen.

Of de nationale parlementen er aan te pas komen, zal in de komende dagen - met name ook in Den Haag - moeten blijken. De ellende met het zogenaamde Verdrag van Schengen stemt hier weinig hoopvol. Maar gelukkig stoten althans ezels zich geen tweemaal aan dezelfde steen. En gelukkig geldt ten aanzien van het soort 'gemeenschappelijk optreden' als door Frankrijk beoogd voor alle lidstaten het recht van veto!

Reeds nu valt in de media te lezen dat Nederland zijn veto wel niet zal durven gebruiken, enerzijds gezien zijn omvang en anderzijds om zijn komende Europese voorzitterschap niet te belasten. Een zonderlinge redenering. Eerst prefereert Justitie, ter bescherming van de waarden van de Nederlandse rechtsstaat, deze materie intergouvermenteel, veeleer dan in het rechtskader van de Europese Gemeenschap te regelen. Vervolgens zou, als die waarden op het spel staan - en dat staan ze - het vetorecht niet gebruikt kunnen worden. Dat het voorzitterschap niet kan en mag worden gebruikt om te proberen eigen opvattingen door te drukken, wordt - in een aantal hoofdsteden althans - nog wel begrepen. Maar dat het een beletsel zou moeten zijn om eigen beleid te verdedigen, dat is een gedachte die bij weinigen van onze partners - en zeker niet bij de Fransen - ooit zou kunnen opkomen.

Blijft de weg die het Kamerlid De Graaf gisteren in deze krant bepleitte: die van de amendementen, de kleine concessies, de eenzijdige verklaringen, de opt out-formules. Die kunnen allemaal niet voorkomen dat bij totstandkomen van een 'action commune' de pers toch zal spreken van een zege van de Franse diplomatie en, wat erger is, van het Franse prohibitionisme. Waartoe halve concessies op dit gebied leiden, is wel gebleken uit het 'succes' dat de Nederlandse regering bij de Franse vrienden heeft gehad met haar drugsnota van vorig jaar.

Het gaat tenslotte om niets minder dan een helder, modern en verantwoord criminaliteitsbestrijdings- en drugsbeleid in Europa. Dat zal grotendeels op centraal niveau en niet 'even' op een Europese Raad tot stand moeten komen. En moeten steunen op de inzichten en de ervaring van echte deskundigen op wetenschappelijk gebied en uit de bestuurlijke en zorgsector. In het Franse voorstel worden vele aspecten van dit vraagstuk op één hoop gegooid, maar men zoekt er tevergeefs naar de uitgangspunten van het succesvolle Nederlandse model.

Nederland moge dan wel geen 'gidsland' (meer) willen zijn, toch hebben we een grotere verantwoordelijkheid dan alleen proberen met wat diplomatieke foefjes ons eigen beleid - tijdelijk? - veilig te stellen. Tegenover die vele bestuurders en volksgezondheidsdeskundigen elders in Europa, die niet achter Chirac, maar aan onze kant staan, zoals de voorzitster van de Duitse Bondsdag, de CDU-politica dr. Rita Süssmuth. Tegenover onze jeugd ook, die we moeten beschermen tegen de criminaliteit die door de prohibitie wordt bevorderd. En tegenover de werkers met verslaafden, politiemensen en bestuurders van alle politieke gezindten, die in de afgelopen twintig jaar het Nederlandse model hebben helpen opbouwen.

Laat minister Van Mierlo zich realiseren dat de grens die hij trok in het fractieleidersdebat over Europa - dat de Nederlandse jeugd en de Nederlandse drugsverslaafden van Europees beleid niet slechter mogen worden - thans bereikt wordt. Laat mevrouw Sorgdrager, wier ambtenaren het Franse document hogerop lieten gaan in Brussel, zonder zelfs maar een voorbehoud aan te melden, zoals andere delegaties wel deden, zich schamen. En laat Wim Kok de rug rechten. Hij heeft misschien met het Nederlandse drugsbeleid geen persoonlijke affiniteit, zoals velen vermoeden, maar hij is minister-president van Nederland. Laat hem begrijpen dat hij, door zelfs maar de schijn te wekken door de pomp te gaan voor de Franse pressie, niet alleen de geloofwaardigheid en het gezag van het komende Nederlandse voorzittersschap op het spel zet, maar veel meer.