'Kunstwereld moet zelf naar het buitenland'

DEN HAAG, 19 NOV. Het Koninklijk Concertgebouworkest vindt dat de overheid op het gebied van de buitenlandse culturele betrekkingen geen beleidstaak heeft. De Nederlandse kunstinstellingen moeten zelf in het buitenland actief zijn. Orkestdirecteur Willem Wijnbergen zei dat gisteren in Den Haag op het symposium 'Beeldmerk Nederland', waar hij plannen bekend maakte voor een Nederlands kunstfestival in New York.

In februari 1999 moet in het Lincoln Center een week Nederlandse kunst worden gepresenteerd door het Concertgebouworkest, het Nederlands Danstheater (met het Concertgebouworkest in de bak), theatergroep Orkater en andere instellingen, zoals het Stedelijk Museum, De Volharding en het Schönberg Ensemble. Daarbij zou ook de Nederlandse film ('Van Warmerdam, documentaires') kunnen worden betrokken.

Zulke evenementen moeten ook plaatsvinden in eigen land. Wijnbergen wil in januari 1998 in het Amsterdamse theater Carré een week van 'dolle dwaze dagen', waarin “bij wijze van spreken 24 uur per dag alle toonaangevende Nederlandse kunstinstellingen acte de présence geven met het beste wat zij hebben te bieden.”

Ook in andere wereldsteden, zoals Parijs, Londen, Berlijn en Tokio moet 'het Nederlandse culturele elftal' zich op zelf georganiseerde wijze presenteren, aldus Wijnbergen, die aan de overheid alleen een financiële rol toekent. Er is volgens hem meer praktijk nodig dan beleid, dat volgens velen in Nederland nooit op samenhangende wijze op regeringsniveau heeft bestaan.

Wijnbergen keerde zich tegen geforceerde regelgeving en een onder politieke druk gedefinieerd internationaal cultuurbeleid, dat zorgvuldig opgebouwde internationale posities van een aantal toonaangevende Nederlandse kunstinstellingen in gevaar brengt. Hij stelde voor “onze staatssecretaris van cultuur te ontlasten van de ondankbare taak om internationaal cultuurbeleid te bedenken en vast te stellen.” Staatssecretaris Nuis had eerder gezegd dat de kracht van onze cultuur in onze buitenlandse politiek en handelsrelaties door overheid, bedrijfsfleven en media soms danig wordt onderschat, ondanks de negen miljoen die de overheid extra ter beschikking heeft gesteld. Wijnbergen sprak over 'pijnlijke incidenten' bij de organisatie van internationale optredens als gevolg van luchthartig Nederlands overheidsbeleid. Ambassademedewerkers doen soms tijdens borrels ondoordachte toezeggingen, en het door de vorige cultuurminister D'Ancona opgezette Hollandse festival in Tokio werd wegens sterk onderschatte kosten afgeblazen.

Wijnbergen wil echter wel gebruik maken van de contacten van Nederlandse culturele attachés, zoals Frank Ligtvoet in New York. Ook in de andere wereldsteden Berlijn, Parijs, Londen en Tokio zouden zulke functionarissen aanwezig moeten zijn.