'Goede woning in slechte buurt is slecht'; Directeur Woningraad bepleit miljardeninvestering

ALMERE, 19 NOV. “Aan een goede woning in een slechte buurt heb je zakelijk gezien weinig.” Directeur N. van Velzen van de Nationale Woningraad (NWR), waarbij tweederde van de woningcorporaties is aangesloten, liet de leefbaarheid in 764 wijken in de honderd grootste steden onderzoeken. En wat blijkt: met de woningen van de woningbouwverenigingen zelf is niets mis, maar met de wijk van alles. Alle reden om de investeringen te richten op de woonomgeving.

“Geschokt” is Van Velzen, die de uitkomsten van het onderzoek vandaag presenteerde. Van de onderzochte wijken worden 117 als geheel 'onvoldoende leefbaar' beschouwd. In die 'probleemwijken' wonen in totaal 1,8 miljoen mensen. Het gaat daarbij vooral om vooroorlogse wijken met veel huurwoningen en wijken die vlak na de oorlog in grote haast zijn gebouwd. De probleemwijken zijn volgens Van Velzen vooral herkenbaar aan 'meer van hetzelfde': lange rijen van alleen hoogbouw of alleen laagbouw, nauwelijks bedrijvigheid en allemaal woningen van dezelfde kwaliteit. Namen van wijken noemt Van Velzen niet: “Dat werkt stigmatiserend. Ga er maar van uit dat elke onderzochte stad een aantal van zulke probleemwijken heeft.”

Nooit eerder werd op zo'n grote schaal onderzoek gedaan naar de leefbaarheid. Wel bestaat er een overvloed aan statistisch materiaal op grond waarvan conclusies worden getrokken. “Alsof het aantal allochtonen of minima de leefbaarheid van een wijk bepalen”, zegt Van Velzen verontwaardigd. Ditmaal is de leefbaarheid in kaart gebracht door naar de mening te vragen van de mensen die dagelijks met de wijk te maken hebben. Professionals, noemt Van Velzen deze betrokkenen, de bewoners en mensen van politie, gemeente en corporatie.

“Het begrip leefbaarheid zegt net zoveel als mooi weer”, erkent hij. De onderzoekers vroegen daarom rapportcijfers te geven aan dertien 'leefbaarheidsindicatoren' zoals etnische samenstelling, burenoverlast en criminaliteit, dat de meeste onvoldoendes scoorde. In ruim veertig procent van de wijken, waar bijna vier miljoen mensen wonen, wordt de leefbaarheid door criminaliteit nadelig beïnvloed. De aspecten 'veiligheidsbeleving' en 'verkeersoverlast' worden bijna even negatief ervaren.

De directeur van de NWR is opgelucht dat de leefbaarheidsindicator 'kwaliteit woningvoorraad' in 87 procent van de wijken als voldoende wordt beschouwd. Toch blijven nog ruim honderd wijken over waar de 1,6 miljoen bewoners een negatief oordeel vellen over de huizen. En een onvoldoende voor de kwaliteit van de woningen blijkt voor de wijkbewoners aanzienlijk zwaarder te tellen dan bijvoorbeeld de ervaren criminaliteit of verkeersoverlast. Volgens Van Velzen betreft het negatieve oordeel over de kwaliteit van de huizen overigens niet de woningen van de corporaties, maar vooral het bezit van de particuliere verhuurders, de huisjesmelkers.

Nu blijkt dat het met de woningen van de corporaties wel goed zit, vindt Van Velzen het tijd voor een tweede stadsvernieuwingsgolf, die zich vrijwel uitsluitend richt op de leefbaarheid in de wijken, nadat de eerste golf met name betrekking had op woningen. “Een goede woning in een slechte buurt is een slechte woning”, meent de NWR-directeur. Het is daarom nu de beurt aan de corporaties om in de buurt te investeren. Dat is even slikken voor ze, want het vergt investeringen van miljarden waar geen directe inkomsten tegenover staan, de zogenoemde onrendabele investeringen. Van Velzen is er evenwel zeker van dat dergelijke maatregelen hun geld op de langere termijn opleveren. “Als er niets gebeurt, verdwijnt het nu nog broze evenwicht in de wijk tussen hoge en lage inkomensgroepen. Dan trekken mensen met een hoog inkomen weg naar nieuw te bouwen Vinex-locaties zoals de Leidsche Rijn bij Utrecht.” Over blijven de mensen die zich “met de pest in hun lijf” tot het wonen in een wijk veroordeeld voelen. “Die dragen natuurlijk niet bij tot de leefbaarheid van de buurt”, meent Van Velzen. Waardoor corporaties hun bezit alsnog in waarde zien dalen.

“Alles mag”, zegt Van Velzen over verbeteringen van de buurt. “Verkoop van huurwoningen, sloop van woningen waar duurdere nieuwbouw op volgt, herinrichten van de openbare ruimte. Maar dat allemaal alleen als je ook iets doet aan criminaliteitsbestrijding, het schoonhouden van de wijk, parkeren, huismeesters aanstellen, noem maar op.”

De woningcorporaties kunnen het volgens Van Velzen niet alleen, de gemeente zal zich ook moeten inspannen. Het heeft de laatste jaren aan daadkracht ontbroken bij gemeenten, vindt hij. “De werkwijze is er een geweest van amateurisme en vrijblijvendheid. De gemeente heeft verzuimd de regie te nemen, vooral omdat de politiek een discontinue factor is. Het verbeteren van een probleemwijk kost vijf tot tien jaar en in die periode verslijt je drie colleges van B en W.”

De directeur heeft zijn licht opgestoken in het Amerikaanse Boston en zag daar de oplossing: 'community development'. Midden in de probleemwijk werkt voltijds een projectteam van twee à drie professionals met de middelen van corporaties en gemeenten aan de verbetering van alle leefbaarheidsaspecten, uiteenlopend van kinderopvang tot verkeer en veiligheid. Ze moeten wat Van Velzen betreft de 'spin in het web van de wijk' vormen voor bewoners, corporaties, welzijnsinstellingen, gemeente en politie. “In Boston zag je heel goed dat zo'n professioneel bureau de gemeente helpt om aansluiting bij de wijk te krijgen, om er binnen te komen”, aldus Van Velzen. Hij verwacht dat de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Tommel, niet anders dan positief over het voorstel kan zijn. “Het kabinet heeft per slot van rekening het onderwerp leefbaarheid hoog op de agenda gezet.”

    • Robert Giebels