De vrije jongens van de guerrilla genieten van de strijd in Zaïre

SAKE (OOST-ZAÏRE), 19 NOV. Een dorpje aan het Kivumeer. Honderd lage huizen van steen of aangestampte aarde en een rooms-katholieke kerk. De smidse heeft 'Dieu pour tous' boven de gevel staan. Op de markt verkoopt men trossen kleine banaantjes, mango's en zoetwatervis. De mensen groeten elkaar vriendelijk door de slapen tegen mekander te wrijven, eerst links dan rechts.

Sake is een gewoon Zaïrees dorp, met dit verschil dat hier de Mai Mai heerst. De Mai Mai is de volksmilitie die in opstand is gekomen tegen president Mobutu en in samenwerking met anderen het presidentiële leger op de vlucht joeg. Aan de toegangsweg liggen de net kapotgeschoten lijken van twee leden van de Rwandese Hutu-militie. Van de ene man stroomt bloed op straat. Zijn hoofd ligt helemaal open. Om Sake is recentelijk hard gevochten maar nu kondigt de radio voor overmorgen een feest aan ter ere van de 'bevrijding'. Het front is inmiddels tien kilometer verschoven. Er klinken schoten in Sake. De mensen duiken weg. Dan is het weer vredig.

Mai Mai betekent water, snel. Het zijn de vrije jongens van de guerrilla. Ze geloven dat kogels hen niet kunnen raken omdat ze op het lichaam in water zullen veranderen. In een van de bochten van het hobbelige zandpad naar Sake hebben de eerste zes boys een wegversperring opgezet. Ze hebben ontblote bovenlijven, rijkelijk behangen met patronen; hun Kalasjnikovs is hun speeltuig. “He man, how you doin?”, zegt er een, een rode gettoblaster op zijn ene en een mitrailleur op zijn andere schouder. Hij draagt een zonneklep met USA erop en heeft teenslippers aan zijn voeten. Hij maakt een V-teken en komt handje schudden in drie etappes op z'n Afrikaans: eerst de hele hand, daarna de duimen in elkaar en dan nogmaals de hele hand. Zij zijn opgewekt, vooral als een van hen zich opwerpt als lokettist. De toegang is niet gratis maar ook niet duur. Voor een hele dollar en wat sigaretten mogen we door. Ze swingen nog even ten afscheid op de opzwepende Zaïrese radiomuziek.

De inzittenden van een wagen achter ons maken een grote fout. Ze hebben enkele Banyamulenges - etnische Zaïrese Tutsi's die in een coalitie met de Mai Mai zitten - meegenomen, 'ter bescherming'. Maar dat pakt niet goed uit. Er ontstaat een agressieve sfeer. Wie durft de autoriteit van de Mai Mai in twijfel te trekken? Zij zien de coalitie als een monsterverbond tegen president Mobutu, niet als een liefdesverklaring. Uiteindelijk loopt de confrontatie goed af.

Een andere groep Mai Mai heeft beschutting gezocht tegen de tropenzon onder een kapotgeschoten autobus. Een van hen is een jongen van tien jaar met veel praatjes. Een wapen draagt hij niet. Zo verstandig zijn de grote Mai Mai wel. Ze grijnzen breed uit en ontvangen hun commissie. Een week geleden begon hier het slotoffensief van de rebellen tegen de Rwandese Hutu-milities, de Interahamwe, die samen met het Zaïrese leger de vluchtelingenkampen van Rwandezen controleerden. De Mai Mai mochten het vuile werk opknappen en de vluchtende militiemannen afmaken. Wat ze met graagte deden; eindelijk een verzetje.

Het front ligt nu bij de plaats Masisi, waar volgens de rebellen de Hutu-milities samenwerken met delen van het Zaïrese leger. Ze geven geen toestemming voor een doortocht. Daarvoor is het te gevaarlijk. We mogen wel naar Kiroshe, tien kilometer voorbij Sake, waar een klein ziekenhuis uit de Belgische tijd is ingericht voor de gewonden van de strijd. Zestig liggen er met schot- en hakwonden. Een Zaïrese Florence Nightingale verzorgt hen met rubberen handschoenen aan. Buiten verzamelt zich in de tussentijd een gemêleerd gezelschap van rebellen, kinderen en andere nieuwsgierigen in het niet onterechte vermoeden dat er iets te halen valt. Er moeten opnieuw sigaretten en groene briefjes aan te pas komen.

Een medewerkster van het Rode Kruis die ook onderweg is zegt dat een groot aantal mensen de strijd inmiddels is ontvlucht. Ze schat zo'n honderdduizend die in zuidelijke richting langs het Kivumeer trekken. Volgens onbevestigde berichten is vanuit de Zaïrese stad Bukavu nabij de zuidwestgrens met Rwanda een stroom vluchtelingen op gang gekomen die de daar liggende Hutu-kampen aan het verlaten zijn. Aan de rand van Kiroshe schieten ineens temidden van stofwolken twee hoogblonde jongetjes het pad over. Het blijken de kinderen te zijn van een Belgische boer die ondanks de dekolonisatie op zijn bananenplantage is blijven wonen. De inwoners van het dorp vinden dat best.

Op de terugweg, dwars door ondiepe rivieren en over rotsige wegen naar de grensplaats Goma, stapt moeder Julienne Katungu in ons busje, met haar twee kleine kinderen. Als Julienne plaats heeft genomen, komen er nog drie van haar kinderen uit de bosjes. Als die ook zitten geeft moeder een gil naar buiten en komen er in de achterhoede nog eens twee. Met de moeder en haar zeven kleintjes aanvaarden we de retourtocht. Langs de rebellen en de afgronden boven het meer, langs de lijken, langs de Mwami: het dorpshoofd van Sake dat een eigen deel van het meer opeiste. De vier grootste kinderen glunderen tijdens het ritje, het bespaart hun veertig kilometer lopen. Ze zingen een vrolijk liedje: 'Je chante, je loue, je prie' (Ik zing, ik verheerlijk, ik bid). Wat kan het leven toch eenvoudig zijn.

    • Lolke van der Heide