Alleen wij waren goed, welbeschouwd

Onlangs werd in het VPRO-geschiedenisprogramma OVT de Hongaarse revolutie van veertig jaar terug herdacht. De uitzending begon met de dramatische radio-oproep 'Wereld, help ons'.

Zou die wanhoopskreet mij zo hevig aangrijpen omdat ik indertijd, hoe onschuldig ik daaraan als kind ook was, behoorde tot de foute partij? Maar ook de manier waarop voormalig CPN-parlementariër Marcus Bakker in dezelfde VPRO-uitzending, geëmotioneerd en honend als altijd, vertelt dat hij in een Engelse krant een foto van Boedapest had gezien met daarop aan hun voeten opgehangen joodse communisten, en dat hij het dus prima vond dat de Russen dat schorriemorrie een lesje kwamen leren, laat me niet onberoerd. Ik moet mezelf haast tot de orde roepen - zo overtuigend brengt hij het. Tegelijk vraag ik me verontwaardigd af waarom de VPRO dit laat passeren. Dit kan toch niet nog steeds Bakkers visie zijn op wat er zich in 1956 afspeelde. Of wel?

Bakkers betoog liep langs dezelfde politieke zenuwbanen als vroeger: de Hongaarse contrarevolutie, zoals herfst '56 in deze kringen consequent werd genoemd, dreigde het 'fascisme' opnieuw aan de macht te brengen. De Nederlandse communisten hebben altijd getracht alles terug te brengen tot die beste jaren van hun partij: '40-'45. Dat was de rechtvaardiging van hun bestaan. Hun kinderen raakten met dit oorlogsvirus besmet. In OVT zei een destijds elfjarig meisje dat zij moest 'onderduiken' totdat de Hongaarse furie, zoals historicus Ger Harmsen de volkswoede tegen de CPN later noemde, voorbij zou zijn. Anita van Ommeren schreef afgelopen zaterdag in Trouw wat ze eerder in haar film Kameraden, over het leven van haar moeder, het communistisch Kamerlid Annie Averink had verteld over zichzelf als achtjarig meisje: “Maandagochtend vijf november begrijp ik dat het oorlog is, en dat ze het op ons hebben gemunt. Ik weet dat oorlog betekent: onderduiken. Ik begin met alles wat me kostbaar voorkomt in de kelder te zetten. Papa was 's nachts al naar Felix vertrokken...” Van Averink vond ik bij de research voor mijn boek Opoffering en heroïek, dat handelt over de communistische ziel, temidden van vergeelde paperassen een uit november 1956 daterend stencil over het Hongaars 'grootgrondbezit'; conclusie: het land zou zonder het Russische ingrijpen zijn veranderd 'in een voorpost van het Duitse fascisme'.

Mijn broertje en ik hoefden niet onder te duiken. Wel werden we opeens weer naar school gebracht, terwijl we eigenlijk dat stukje straat al alleen mochten lopen - hij naar de kleuterschool, ik naar de tweede klas. Een of ander katholiek studentencorps had de gezinnen van partijfunctionarissen bedreigd en die werden daarom beschermd. Mijn moeder weigerde dat manhaftig. Ze zette een zak gemalen peper klaar en ieder die onze trap opkwam kon die peper in zijn gezicht krijgen. Voorzover ik weet is er bij ons niets gebeurd. Bij anderen wel.

Mijn vader, redacteur van Volksdagblad de Waarheid, was vanzelfsprekend 'op' Felix, het fameuze gebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht, waar de krant en het partijbureau gevestigd waren. De verdediging van het revolutionaire bolwerk tegen de razende meute is inmiddels communistische folklore geworden. Een rijke bron van anekdotes. Zo zou een partijbestuurder vanachter de enorme rollen krantenpapier waarmee potige havenarbeiders de deuren hadden gebarricadeerd, hebben opgemerkt: Jarenlang hebben we de massa's aangespoord bij ons te komen en nu ze er dan zijn, moeten we ze met een ijzeren staaf van ons lijf houden. Se non è vero, è ben trovato. Mijn vader vertelde altijd bitter-vrolijk hoe hij onder begeleiding van agenten met getrokken pistool door de menigte heen het partijgebouw was ingeloodst toen hij ergens een reportage had moeten maken. Dit overigens nadat de politie de gewelddadige jongeren dagenlang hun gang had laten gaan en, volgens Harmsen, jeugdleden van de Katholieke Arbeidersbeweging zelfs ongestoord 'weg met de roden, weg met de joden' had laten roepen.

Sommige van de overgeleverde verhalen maken pijnlijk duidelijk hoe ver de communistische gelovigen buiten de werkelijkheid stonden. Van Ommeren vertelt in Kameraden dat partijleider Paul de Groot haar ongeruste vader had verzekerd dat er geen echt gevaar was: de Russen hielden vanuit de lucht nauwlettend in de gaten wat er zich in de Amsterdamse straten afspeelde.

Voor ons kinderen, denk ik nu, waren er vooral het sociale isolement en de angst. Isolement, angst, èn loyaliteit, want kinderen zijn verbazend loyaal als hun ouders worden bedreigd, zeker als ze ervan overtuigd zijn dat die ouders het beste met de wereld voorhebben. De achtjarige Anita begon, meldde De Waarheid, een geldinzamelingsactie omdat 'gemene mensen jullie papieren, tafels en stoelen hebben verbrand'. En al hadden wij natuurlijk geen deel aan de revolutionaire romantiek en de stoere gezamenlijkheid die uit de spannende verhalen-achteraf spreken, trots op zoveel martelaarschap was ik lange tijd toch ook wel. Pas veel later zou, bij sommigen althans, die trots omslaan in schaamte en woede.

Voor de volwassenen en voor de partijleiding had hun heldhaftig finest hour een bijkomende functie: de Hongaarse opstand volgde luttele maanden na de geheime congresrede waarin Chroesjtsjov (Knoeisjef, volgens Paul de Groot) aan de internationale communistische beweging de misdaden van Stalin had onthuld. De twijfel en onenigheid die in reactie daarop dreigden, verstomden onder het antipartijgeraas. Even later kwam bovendien van huisschrijver Theun de Vries Het meisje met het rode haar uit, over verzetsstrijdster Hannie Schaft. Een troostrijk boek, want de in '45 gefusilleerde Schaft (volgens de kritiek in deze roman als communistisch partizane geannexeerd) kreeg door haar biograaf in de mond gelegd dat de regering in Londen maar één zorg had, namelijk 'hoe ze de communisten aan de dijk kunnen zetten zodra de oorlog is gedaan'.

En zo viel alles weer op zijn plaats. Dat het in Hongarije om 'fascisme' ging bleek uit de vrijlating van de beruchte kardinaal Mindszenty, die al in 1919 president was geweest van een extreem-rechtse antisemitische partij. De Nederlandse minister onder wie de opvang van de stroom Hongaarse vluchtelingen viel, Klompé, had in de Verenigde Naties de toelating van Franco-Spanje bepleit. Onderduikkind Anneke Beekman was, bleek in diezelfde tijd, door katholieke geestelijken aan haar joodse milieu ontstolen. De Schaft-herdenking was verboden. Roomse regenten als De Quay waren in de oorlog fout geweest. En dat studentencorps zal ook wel niet hebben gedeugd.

Alleen wij waren goed, welbeschouwd. En toch was iedereen tegen ons. Van die prettige waan en die onprettige paradox heeft niet ieder zich weten te bevrijden, sterker nog: deze historische visie heeft sinds de jaren zeventig aan populariteit gewonnen. Daarom wilde ik dat de VPRO Marcus Bakker nog wat vragen had gesteld: waren het niet juist joodse communisten die bij de Tsjechische showprocessen van 1952 werden geëxecuteerd? En joodse dokters die door Stalin werden verdacht van aanslagen op zijn leven? En werden in de Sovjet-Unie de joodse slachtoffers van de Grote Vaderlandse Oorlog niet altijd verzwegen?

    • Jolande Withuis