Algerijnen doelwit regime èn oppositie

De internationale organisatie voor de rechten van de mens, Amnesty International, heeft vanochtend een rapport over Algerije vrijgegeven dat met name op het doen en laten van de regering veel kritiek bevat.

“Mensen in Algerije worden zonder enige reden gedood en afgeslacht. (..) Sommigen omdat hun namen op een lijst vermeld staan, anderen omdat hun naam op een andere lijst is weggelaten (..) Zowel de regering als de islamisten doden onschuldige mensen (..) De Algerijnen lijden en sterven in stilte (..) De internationale gemeenschap is tot dusver onverschillig gebleven over wat er in Algerije gebeurt (..)”

Met deze brief van een niet nader genoemde Algerijn introduceert Amnesty International een vandaag verschenen rapport, dat ongetwijfeld zal leiden tot grote woede en verontwaardiging van de Algerijnse overheid. Deze geeft toe dat zich sporadisch “vergissingen” of “overtredingen” kunnen voordoen. Maar zij wil op geen enkele wijze met de radicaal-islamitische strijdgroepen worden vergeleken. Bovendien is volgens de regering, dankzij haar krachtig optreden tegen de 'misdadigers' en haar democratiseringsmaatregelen, vrijwel een eind gekomen aan het terrorisme in het land.

Amnesty rekent af met deze voorstelling van zaken. Buitengerechtelijke terechtstellingen, opzettelijke en willekeurige moorden, ontvoeringen, martelingen, doodsbedreigingen en andere schendingen van de rechten van de mens, gepleegd door àlle elkaar bestrijdende partijen, zijn - aldus Amnesty - sinds vijf jaar “de dagelijkse realiteit van Algerije”. Als gevolg hiervan is het aantal doden nu de 50.000 gepasseerd.

Het rapport stelt dat met totale minachting voor één van de meest elementaire rechten van de mens - te weten het recht op leven - de Algerijnse burgerbevolking nog steeds met aanvallen wordt bestookt, die zowel doelgericht zijn (tegen bepaalde beroepsgroepen) als in het wilde weg (autobommen). De overheidsstrijdkrachten en de radicaal-islamitische strijdgroepen, die respectievelijk in naam van 'de oorlog tegen het terrorisme' en van 'de heilige oorlog' opereren, voeren de aanvallen uit. De media brengen hun acties en de verontwaardiging daarover zeer selectief. Zij rapporteren slechts bepaalde misdaden en wreedheden; anders kunnen zij van “heulen met de vijand” worden beschuldigd.

De identiteit en de motieven van de moordenaars en de ontvoerders zijn volgens Amnesty steeds moeilijker vast te stellen, omdat de strijdkrachten van de overheid en die van de islamitische oppositie vaak hetzelfde gedrag en hetzelfde uiterlijk vertonen. Zo plegen leger en politie-eenheden veelal burger-kleding en gewone auto's te gebruiken, terwijl de moslim-strijdgroepen gebruikmaken van leger- en politie-uniformen. Dat alles heeft een sfeer van angst gecreëerd onder de burgerbevolking, die geen idee heeft waarom en door wie zij wordt aangevallen.

De veiligheidsstrijdkrachten van de overheid laten, volgens het rapport, honderden mensen die zij arresteerden, 'verdwijnen'. De familieleden krijgen bijna nooit van de overheidsinstanties te horen of de verdwenen personen nog in leven zijn en, zo ja, waar zij zich bevinden. Andere gearresteerden worden op grote schaal in geheime detentiecentra mishandeld en gefolterd. Daarnaast zijn nog eens duizenden mensen op het vermoeden van sympathie voor het verboden verklaarde Front van Islamitische Redding (FIS) en de Gewapende Islamitische Groep (GIA) willekeurig opgepakt. Herhaaldelijk zijn verdachten door de overheidsstrijdkrachten in hun woning en ten overstaan van hun familieleden doodgeschoten. Of zij werden in de gevangenis, al dan niet na martelingen, maar bijna altijd zonder vorm van proces geëxecuteerd.

Ook de strijdgroepen “van de oppositie”, die door Amnesty nadrukkelijk niet van het etiket islamitisch zijn voorzien, martelen en doden volgens het rapport hun gevangenen. Zij hebben tientallen vrouwen verkracht, alsmede doodsbedreigingen geuit tegen ambtenaren, familieleden van de veiligheidsstrijdkrachten, journalisten, onderwijzers, vrouwen, buitenlanders en vele anderen in de samenleving. Nu eens zijn hun moorden doelgericht, dan weer in het wilde weg om te terroriseren.

Het rapport geeft een aantal schokkende getuigenissen van simpele mensen die gemangeld werden tussen de overheid en de radicaal-islamitische groepen. Beide kampen eisen immers blinde gehoorzaamheid en absolute loyaliteit. Wie 'niet-politiek' of 'neutraal' wil zijn, kan geen kant meer op. Het zijn, kortom, de klassieke omstandigheden van een burgeroorlog.

Zo worden veel overheidsambtenaren met de dood bedreigd door radicaal-islamitische lieden of groepen, als zij hun baan niet opgeven. Op de vraag hoe zij in het levensonderhoud van zichzelf en hun familie moeten voorzien, luidt het antwoord: “God zal voor jullie zorgen.”

Een enkele maal biedt de overheid haar bedreigde werknemers een wapen aan om zich te kunnen verdedigen. Sommigen slaan dat aanbod af omdat ze dan nòg meer doelwit zouden zijn, of omdat ze geen heil van hun wapen verwachten als ze onverhoeds worden overvallen. Anderen durven geen ontslag te vragen, uit angst dat de overheid dat zou interpreteren als steunbetuiging aan de radicale moslim-groepen. Duizenden zijn op de vlucht geslagen - naar familie of naar het buitenland. Tienduizenden zouden willen vluchten, maar weten vaak niet waarheen. De meesten blijven op hun post, omdat zij geen andere bron van inkomsten hebben.

De ONDH, de Algerijnse organisatie voor de rechten van de mens, in 1992 opgericht ter vervanging van het één jaar tevoren ingestelde Ministerie voor de Rechten van de Mens, biedt geen enkele bescherming. Keer op keer verstrekt zij géén of foutieve informatie als de vertegenwoordigers van Amnesty in specifieke gevallen om nadere informatie vragen. Nadat bijvoorbeeld in februari vorig jaar bij een gevangenisopstand 96 gedetineerden om het leven waren gekomen, bleek het onderzoeksverslag van de ONDH vrijwel identiek te zijn met de weergave van de gebeurtenissen door de overheid. Volgens de ONDH hadden de veiligheidsstrijdkrachten geen traangas ingezet tegen de gevangenen, “om verstikking in een beperkte ruimte te vermijden”. Onbeantwoord bleef de vraag waarom er dan wèl met scherp werd geschoten en de gevangenen met handgranaten werden bestookt.

Volgens het officiële ONDH-verslag van mei 1995 waren alle gedode gevangenen gefotografeerd en genummerd, en had men van ieder van hen de vingerafdrukken genomen, voordat zij werden begraven. Maar toen een Amnesty-delegatie in juni vorig jaar die gegevens opvroeg, luidde het antwoord dat de ONDH niet in het bezit was van foto's of andere documenten. De ONDH-president die het verslag had ondertekend, wist zich “niets te herinneren” van gemaakte foto's.

Het Amnesty-rapport rekent scherp af met de dorpsmilities, die zichzelf 'zelfverdedigingsgroepen' danwel 'patriotten' noemen. Ook zij zouden zich schuldig maken aan opzettelijke en willekeurige moorden. Begin vorig jaar werden zij in Kabylië opgericht (aanvankelijk tegen de zin in van de regering, maar dat meldt het rapport niet) om de ongewapende burgers van een dorp en of een stadswijk te beschermen tegen de moorddadige acties van radicale moslim-strijders.

In de loop van 1995 gaven de autoriteiten hun zegen en steun aan deze milities. Zij dragen dan ook nu soms leger- of politie-uniformen, en beschikken over wapens, auto's en verbindingsapparatuur die hun door de militairen zijn verstrekt. Zij werden opgericht - zoals Amnesty zelf schrijft - omdat de officiële veiligheidsstrijdkrachten niet in staat of bereid waren individuele of moeilijk bereikbare dorpen permanent te bewaken.

Maar thans zijn deze milities van een puur defensieve naar een aanvallende rol overgegaan. Zij voeren wraak-operaties uit tegen de familieleden van radicaal-islamitische strijders. En zij doden op eigen gezag allen die zij als 'terroristen' klassificeren. Amnesty veroordeelt hun optreden en vindt dat alle para-militaire organisaties en milities, die niet onder de commando-structuur van de overheid vallen, buiten de wet moeten worden gesteld.

Het rapport laat zich uiteindelijk veel kritischer uit ten aanzien van de overheid dan van “de gewapende oppositie” - conform de opvatting van Amnesty dat regeringen per definitie, krachtens de internationale verdragen die zij getekend hebben, verplicht zijn de rechten van de mens te beschermen en de schendingen daarvan tegen te gaan. Amnesty eist dan ook van de regeringen dat zij zulks doen en vraagt aan hun binnenlandse vijanden hetzelfde.

    • Michael Stein