Achter de dijken groeit Rabobank uit tot financiële reus

De financiële sector is stilletjes begonnen aan een nieuw samenklonteringsproces. Na banken onderling, verzekeraars met elkaar en banken met verzekeraars komen nu ook de pensioenbeheerders in beeld. Een gesprek met drs. H. Wijffels, sinds tien jaar aan het roer bij de Rabobank, over concurrentie, concentratie, de 'superaftrek' van Fokker en het opbreken van de bank. “Zolang niet alles voor niets is, is niet iedereen tevreden.”

De Rabobank sleepte twee jaar geleden een belastingbate in de wacht die volgens de Algemene Rekenkamer ver uitging boven de 420 miljoen gulden die Fokker kreeg in ruil voor de verkoop van een deel van zijn technische kennis, een zogeheten technolease transactie. Heeft de Rabobank niet gewoon een slaatje geslagen uit de problemen van Fokker?

Een glimlach krult om de lippen van voorzitter drs. H. Wijffels van de hoofddirectie van de Rabobank. De Rekenkamer die de betrokken ministers twee weken geleden gispte over de steunverlening aan bedrijven als Fokker en DAF, mocht het bedrag van Rabo's superaftrek niet noemen. Wijffels doet het ook niet. “De overheid heeft ons, net als eerder bij Philips, gevraagd of wij de technolease bij Fokker wilden financieren. Op dat verzoek hebben wij positief gereageerd. Wij hebben altijd buitengewoon trouw belasting betaald en wij maken een groot deel van onze winst in Nederland. Wij hebben er een zakelijk voordeel bij gehad, zoals in de markt gebruikelijk is.”

Maar er was maar één eerder geval, Philips. Dat is toch geen markt te noemen?

“Er zijn veel meer constructies waarbij een bedrijf gebruik maakt van de fiscale capaciteit van een bank. Daar bestaat een markt voor.”

In de verhouding tussen bedrijven, vrije markt en overheid zijn de verschuivingen nauwelijks nog bij te houden. De overheid privatiseert, van de verkoop van aandelen KPN tot en met het steunbeleid aan probleembedrijven als Fokker. De overheid breekt kartels en trekt zich terug uit delen van de verzorgingsstaat. Voor de financiële bedrijfstak beginnen gouden tijden: de verzorgingsstaat wordt een particuliere verzekeringsstaat.

De transacties met Fokker en Philips hebben de Rabobank op de kaart gezet als een bank die al lang niet meer alleen een boerenbank is. “Een op de twee Nederlanders is klant bij de Rabobank”, weet Wijffels. De Rabobank is een van de grootste belastingbetalers in Nederland, en daarom de voor de hand liggende partner voor de 'superaftrek' van de Fokker-lease. Met ruim 37.000 werknemers is de bank (vorig jaar ruim 1,4 miljard gulden netto winst) ook een van de grootste werkgevers in de private sector.

Meer dan ABN Amro en ING die door spectaculaire overnames in het buitenland en internationale effectentransacties de aandacht trokken, is de Rabobank bij uitstek een bank achter de dijken. Met bijbehorende symboliek. Het portret van de koe op Wijffels' kamer op Rabo's hoofdkantoor in Utrecht, die ooit de voorpagina van de Wall Street Journal haalde, heeft enige tijd geleden plaats gemaakt voor een rivierlandschap met gezicht op Zutphen. “Sinds ik in het midden van het land woon, heb ik het rivierenlandschap steeds meer leren waarderen.”

Wijffels, prominent lid van het CDA, staat sinds tien jaar aan het roer bij de coöperatieve gigant. Een bankier op het kruispunt van private geldstromen en maatschappelijk opinies. Als hij achter zijn lege bureau over het coöperatieve karakter van de Rabobank praat, maakt hij handbewegingen die elk moment kunnen overgaan in een klaterend applaus.

De privatiserende en terugtrekkende overheid laat steeds meer werkterreinen braak vallen voor de Rabobank. Twee generaties geleden, in 1960, opende de coöperatieve boerenbanken hun eerste kantoren in het verstedelijkte west-Nederland. In 1981 opende de inmiddels tot Rabobank gefuseerde landbouwbanken haar eerste buitenlandse kantoor (in New York). Dat zijn er nu meer dan 80. Inmiddels lijkt de bank opgenomen in de maalstroom van fusies en overnames die het bedrijfsleven op dit moment eigen is. Achterelkaar volgde dit jaar de overname van vermogensbeheerder Robeco (plus 1 miljard gulden investering), de aankoop van participatiemaatschappij Gilde (plus een investering van 1,5 miljard gulden) en - twee weken geleden - gesprekken over samenwerking met een van de grootste pensioenbeheerders in Nederland, PVF.

Een alliantie met PVF, een uitvoerder van pensioenregelingen en vut-fondsen met zo'n 40 miljard gulden vermogen onder beheer, kan de basis leggen voor een financiële supermarkt plus groothandel die zijn weerga in Nederland niet kent.Een bank, een verzekeraar, een vermogensbeheerder, een participatiefonds en straks wellicht ook een intensieve relatie met een grote pensioenbeheerder. Gemeten naar het beheer van het belegd vermogen overtreft de Rabobank een superbelegger als het ambtenarenpensioenfonds ABP (ruim 220 miljard) dan ruimschoots.

“De ziektewet, het nabestaandenpensioen, de WAO, straks wellicht ook het pensioen, zijn allemaal dingen die deels vrijvallen voor de private sector”, observeert Wijffels. “De overheidsverantwoordelijkheid verschuift naar de particuliere sector, naar nieuwe typen behoeftes, naar nieuwe aanbieders. Je ziet al dat pensioenfondsen en verzekeraars meer op elkaar gaan lijken. De aanbieders van die verschillende diensten kruipen naar elkaar toe.”

Op dat grensvlak heeft Interpolis verzekeringsexpertise aan te bieden, de Rabobank kan zijn ervaring op financiële markten inbrengen en PVF heeft zijn pensioenrelatie met verzekerden, bij wie in de toekomst via het fijnmazige kantorennetwerk van de Rabobank nog meer financiële produkten afgezet kunnen worden. Als partner is PVF extra aantrekkelijk omdat het bedrijf, dat enkele jaren geleden verzelfstandigd werd uit de GAK-pensioenfondsen, geen winstoogmerk voor aandeelhouders heeft. Net als de Rabobank zelf. Net als Interpolis. Net als Robeco. De voorliefde voor zulke (semi)coöperatieve bedrijven zonder rendementseisende aandeelhouders blijkt heel diep te zitten. Wijffels verontschuldigt zich voor zijn handelsmerk: de brede blik op actuele ontwikkelingen. “Een wat filosofische noot. Dit is de eeuw van de emancipatie.De massa's hebben zich economisch ontwikkeld, en zijn zelfstandig geworden. De van bovenaf geformaliseerde collectiviteiten zijn opgelost. Mensen willen zelf keuzes maken. Dat is het uitvloeisel van een maatschappelijke ontwikkeling die wij bewust hebben nagestreefd.”

De verwarring die daarmee gepaard gaat, is dagelijks zichtbaar. Aan het eind van de 'eeuw van de emancipatie en de economische groei' worstelen bedrijven en maatschappelijke instituties met hun legitimering. De vragen zijn simpel, de antwoorden eisen verandering. “Voor wie werken zij en wie houdt er toezicht op? Je ziet het legitimeringsvraagstuk bij de publieke omroepen, bij de politiek in zijn relatie met de kiezers, bij de bedrijven in hun verhouding tot hun aandeelhouders, maar ook bij een bank als de onze, die op coöperatieve leest is geschoeid.”

“Het is een algemeen probleem”, vervolgt Wijffels. “De grote instituties die de grondregels bepalen zijn honderd jaar geleden ontstaan, toen het proces van emancipatie is begonnen. Veel instituties zijn min of meer verzelfstandigd ten opzichte van de belangen waarvoor zij ooit zijn opgericht en worden nu geconfronteerd met de vraag: voor wie en namens wie? Je ziet het niet alleen in Nederland: de nieuwe Amerikaanse president is herkozen door een minderheid van de kiesgerechtigde burgers.”

Het antwoord op de hamvraag - hoe de gewortelde instituten te koppelen aan de belangen die zij moeten dienen - heeft de Rabobank zelf gezocht in intensivering van de discussie over het coöperatieve gedachtengoed. De bank is wat dat betreft een buitenbeentje. In het bedrijfsleven is het hete hangijzer de relatie met de kapitaalverschaffer en de vraag wie de directie controleert. Bij wat de Amerikanen en Britten corporate governance noemen gaat de discussie over de vraag of een onderneming moet streven naar het economisch nut voor een smalle groep belanghebbenden (aandeelhouders) en aan hen verantwoording moet afleggen: de Amerikaanse shareholder value optiek. Of moeten de managers juist verantwoording afleggen tegenover een grotere groep, die naast beleggers ook werknemers omvat, en leveranciers, en de gemeenschap in ruimere zin: het stakeholder value concept. Als spaar- en kredietcoöperatie zoekt de Rabobank het Leitmotiv in een andere oriëntatie: customer value. “Deze bank is in het leven geroepen uit een rechtstreeks klantenbelang”, zo schetst Wijffels het verschil met de speculatieve banken, zoals de collega's uit het Amsterdamse financiële wereldje vroeger wel werden aangeduid. Elke lokale Rabobank heeft haar eigen, door klanten gekozen bestuur, dat verantwoordelijk is voor de benoeming van een directeur. De bank wil de ledengroei stimuleren (nu zijn er bijna 600.000) en daarmee de lokale worteling verstevigen. De mengeling van ondernemerschap en lokale geur en kleur zijn de jaloezie van de concurrentie. ABN Amro kopieert met haar nieuwe organisatiestructuur in Nederland zonder blikken of blozen elementen van de Rabo-succesformule.

De lokale Rabobanken, die autonoom zijn in hun eigen stad, dorp of streek, hebben samen Rabobank Nederland opgericht voor grote transacties, zoals kredieten die lokale (later ook nationale) grenzen overschreden. Op papier hebben zij het voor het zeggen. “Het centrum is nooit echt de baas geweest”, zegt Wijffels. Argumenten en overtuiging zijn de wapens van de hoofddirectie. In de praktijk wordt het beleid wel uitgezet en geïmplementeerd door Wijffels,de hoofddirectie en de raad van beheer, onder leiding van ex-PvdA-bewindsman W. Meijer. Het kost meer overreding dan bij andere, hiërarchisch georganiseerde banken. Als het besluit eenmaal genomen is, gaat de invoering soepeler dan bij andere banken, zegt Wijffels. Het overlegmodel blijkt de opvatting van de klanten ook wel eens fout te beoordelen, zoals bij de invoering van tarieven in het betalingsverkeer in 1990, dat in alle interne gremia op steun mocht rekenen, maar niet bij de klanten.

De Rabobank is een klassieke spaar- en leenbank gebleven, maar om deze kern heen cirkelen steeds meer satellieten. Wat falende Angelsaksische managers als laatste redmiddel gebruiken om hun aandeelhouders te plezieren, doet de Rabobank, die helemaal geen aandeelhouders heeft, heel stilletjes: zij breekt zichzelf op in partjes en delen. Naast de traditionele bank 'zweven' inmiddels verschillende bedrijven, met wisselende zelfstandigheid: een verzekeraar (Interpolis), een lease- en afzetfinancieringsbedrijf (De Lage Landen), een bedrijf dat de infrastructuur voor de dagelijkse financiële miljardentransacties levert (Facet), de activiteiten in het buitenland en op de financiële markten (Rabobank International), een fonds dat risicokapitaal verstrekt (Gilde) en een vermogensbeheerder (Robeco). Het is het overlevingsrecept dat McKinsey eind jaren tachtig voor het bankwezen schetste: breaking up the bank. Alleen is bij de Rabobank geen sprake van opdeling onder druk van beleggers, maar onder druk van de klantenmarkt.

Toen de spaarders steeds meer beleggers werden, zocht de Rabobank een vermogensbeheerder die bij een coöperatie paste, zo schetst Wijffels de steeds verder uitdijende invloedsfeer. Toen spaarders steeds meer zelf voor hun toekomst moesten zorgen, werd de band met Interpolis, ook afkomstig uit de coöperatieve wereld, aangehaald. Nu de pensioenwereld in beroering is, wil de bank een brug slaan naar die aanbieders.

“Elke activiteit moet op zijn eigen mérites worden georganiseerd”, vindt Wijffels. “Elk vraagt zijn eigen expertise, heeft zijn eigen sub-identiteit, die de ruimte moet krijgen om samen met een eigen arbeidsvoorwaardenbeleid voor de motivatie te zorgen.” Eén cao voor het hele concern, zoals bank en verzekeraar Achmea hoopt te krijgen, hoeft voor Wijffels niet.

De schaduwkant van de opgedeelde Rabobank is de extra moeite die het kost om de individuele delen ervan te overtuigen dat zij moeten samenwerken met andere 'satellieten' om resultaat te bereiken. “Daar komt de nodige wrijvingsenergie vrij”, erkent Wijffels. “Je bereikt nooit dat je de voordelen van verschillende organisatieprincipes allemaal kunt incasseren.” De opdeling van de bank onttrekt de actieradius van de Rabobank gemakkelijk aan het zicht van de buitenwereld. De overrompelende uitbreiding dit jaar werpt de vraag op of de anonieme collectiviteiten van weleer niet worden ingeruild voor nieuwe, nog grotere financiële koninkrijken. Neemt de Rabobank met haar expansie in beleggingen en de pensioenvoorziening niet de rol over van de publieke sector, met als nare bijkomstigheid dat de particuliere machtsblokken nog moeizamer zijn te controleren dan de ambtelijke? “In de herverkaveling tussen de collectieve en de private sector ontstaat de mogelijkheid dat particuliere partijen in zo'n machtspositie terechtkomen, dat misbruik ontstaat”, erkent Wijffels. “Een sterk mededingingsbeleid is een absolute must. De discussie daarover is laat herkend, maar ik zie het in redelijk tempo tot stand komen. Scherp toezicht moet zorgen dat er geen partijen ontstaan met een overheersende positie op de markt. Klanten moeten keuzes houden. En gaandeweg moet getoetst worden of die keuzemogelijkheden in stand blijven.”

Het links-liberale kabinet heeft gebroken met de Nederlandse tradities van prijsafspraken tussen producenten en andere overeenkomsten die concurrentie moeten beperken. De banken, die tot ver in de jaren tachtig gedetailleerde prijsafspraken maakten en daarmee op last van de Europese Commissie moesten stoppen, slaan de Haagse revolutie met enige zorg gade. Fusies en overnames van banken en verzekeraars stuitten tot nu toe nooit op veel bezwaar bij de ambtenaren op het ministerie van Financiën die eerstverantwoordelijk zijn voor het toezicht op de financiële sector.

Fusies zorgen voor krachtige financiële partijen, zegt ook Wijffels, en dat is goed voor Nederland en voor de banken. De Rabobank behoort onbetwist tot de wereldtop van financiële krachtpatsers, iets wat vorige week tot opluchting van Wijffels door de rekenmeesters van Standard & Poor's werd bevestigd. Terwijl andere supersterke banken als Deutsche Bank en Dresdner Bank hun financieel rapportcijfer iets kunnen zien dalen, houdt de Rabobank haar lijst met tienen.

Wijffels:“De degelijkheid van het Nederlandse bankwezen heeft ertoe geleid dat Nederland een van de sterkste bankenlanden ter wereld is geworden.” Angst dat het ministerie van Economische Zaken na de invoering van een aangescherpte mededingingswet ook het fiat over financiële fusies zou mogen uitspreken leidde tot een succesvolle bankenlobby om het primaat (de komende vijf jaar) bij Financiën te laten. Of de consument daarmee ook is geholpen, is een tweede. Nederland scoort hoog bij de sterkste banken, de winsten in de sector zijn hoog, maar Nederland staat ook steevast nummer een op de lijst van Europese landen waar de drie grootste banken samen het hoogste marktaandeel hebben: meer dan 80 procent in Nederland. Als zo weinig banken zo veel van de activiteiten beheersen kan dat ten koste gaan van consumentenbelangen, erkent Wijffels. In de praktijk is dat niet zo, vindt hij. Het marktaandeel van de grote Nederlandse banken is weliswaar hoog, maar de efficiency is dat naar zijn zeggen ook. “De kosten voor bedrijven en particulieren om geld aan te trekken zijn laag, de tariefstructuur is ten opzichte van andere landen gunstig. Er valt altijd nog wel wat te wensen. Zolang niet alles voor niets is, is niet iedereen tevreden.”

Het meest controversiële punt van concurrentie in het bankwezen is op dit moment de lancering van de elektronische portefeuille: de chipknip van de gezamenlijk banken met uitzondering van de Postbank, die met PTT Telecom de chipper lanceert. Wijffels vindt de strijd een verspilling van geld. “In het betalingsverkeer moet je niet concurreren op de infrastructuur, dat is een soort openbare nutsvoorziening, al is die dan niet van de overheid, maar van de banken. Private partijen hebben daarin de verantwoordelijkheid dat deze nutsfunctie tegen de laagst mogelijk kosten beschikbaar komt. Een technische standaard voor chipkaartbetalingen, maar wel met verschillende kaarten, verschillende tarieven. Maar geen dubbele voorzieningen in betaalterminals op de winkelbalie, niet twee abonnementen op de transactieverwerking voor de winkelier. Straks komt er toch een internationale standaard voor deze chipkaarten, en dan blijkt dat wij langs twee wegen hebben gelopen. Dat hadden wij ons kunnen besparen.”