Van de Putte splijt de Paradijskerk niet

Jan van de Putte Festival. Concerten door Ingrid Kappelle (sopraan), Jan Hage (orgel), Radio Kamerorkest o.l.v. Peter Eötvös m.m.v. Anna Maria Dür (mezzosopraan). Gehoord: 13/11 Theater De Unie; 16/11 Paradijskerk Rotterdam. Gedeeltelijke herhalingen: 20/11 De Oosterpoort Groningen, 7/12 Provadja Alkmaar en 8/12 Theater Bis. Uitzending slotconcert: Radio 4 VPRO 4/12.

Wie de Rohrschach-test te beperkt vindt, heeft nu ook de beschikking over de composities van Jan van de Putte. Zijn karige doch tegelijkertijd detaillistische muziek - een soort rijkdom van de armoede - roept grote spanningen op. Welke precies blijft open, vandaar de mogelijke toepassing van een projectieve Rohrschach-techniek. Want wat de componist er zelf mee beoogde, hoeft zeker niet synchroon te lopen met de belevingen van welke luisteraar ook. Die voelt zich als een invalide in een rolstoel tijdens Van de Putte's theater. Hij kan niet uitstappen en heeft maar af te wachten waar hij heen gereden wordt.

Helaas slaagde ik er zaterdag op het slotconcert van het Van de Putte Festival in Rotterdam er toch in om het wagentje te verlaten. Althans, het openingsstuk Terra voor orgel en twee slagwerkers uit 1995 onderging ik als veel minder beklemmend dan op de première vorig jaar in de Laurenskerk.

Ditmaal had ik geen visioenen van dinosauriërs en loshollende stukken basalt, maar eerder van muizenachtig scheurend behang. Waar het 32-voets register van het Laurenskerkorgel dreigend klonk, hoorde men nu op het orgel van de Paradijskerk een doezelige brom en het krakend slagwerk werkte nauwelijs benauwend, terwijl hier natuurlijk de kerk geheel doormidden moet, want voor minder doet Van de Putte het niet.

In hora mortis (In het uur des doods), een lied voor mezzosopraan en kamerorkest uit 1990 naar een versplinterende tekst van Thomas Bernhard onderging ik eveneens weer anders, plechtiger en melancholieker, meer met Bruckneriaanse kwaliteit, minder verkrampt, maar dat had zeker ook te maken met de galmend doorklinkende akoestiek die elke versplinterende werking in de weg stond. Es schweigt voor sopraan en ensemble, drie jaar later gecomponeerd en opgedragen aan de grootvader van de componist die een specialist was in getallen, werkte nog wel degelijk als een geseling, onontkoombaar gek makend.

Interessant vond ik dat we nu een overzicht van het gehele oeuvre kregen aangeboden. Want dat het slot van Es schweigt wel moest leiden naar muziektheater zoals I am her mouth voor sopraansolo in een zestal staties (ook zit de zangeres in de zaal temidden van het publiek), werd opeens glashelder, het is maar een stap.

De uitvoeringen stonden op een hoog niveau, maar zang en spel van Ingrid Kappelle vond ik meer dan dat, in één woord groots, terwijl er spoedig een kleine op komst is. Fascinerend was dat hijgende zingen, onnavolgbaar de 'aanwijsscène' en weer was er in Es schweigt de zuigende werking van het doelloze tellen als een uitdrukking van een stukgeslagen wereld, waarin communiceren verwordt tot een toonloos gillen. “I am tortured by questions”, zo begint de zangeres. Stilte. Antwoorden ontbreken.

    • Ernst Vermeulen