Onorthodoxe ambtenaar van de harde lijn

Weinig sociale diensten staan zo onder kritiek als de sociale dienst in Amsterdam. Sinds juni 1995 zwaait J.W. Denijs (50) er de scepter. Een no-nonsense manager die af en toe huilt, maar niet wegloopt.

De leden van het Amsterdamse college van B en W zaten op vrijdag 19 mei 1995 wat bedremmeld in de vergaderkamer op de eerste verdieping van het stadhuis. Twee dagen eerder had de Amsterdamse bevolking zich per referendum massaal uitgesproken tegen de stadsprovincie. Onder voorzitterschap van burgemeester Patijn besprak het college de vraag: wat nu. De vergadering nam de hele dag in beslag. De uitkomst stond eigenlijk al vast: het college zou de uitslag van het referendum respecteren. Aldus werd besloten. “Dit is het dan, laten we een borrel gaan drinken”, zei Patijn na afloop van het beraad. Al pratend pakten de wethouders hun spullen bij elkaar. Plotseling werd het stil. Als één man keken ze naar J.W. Denijs, sinds vier maanden projectleider stadsprovincie, die aan de hoek van de tafel zat. “Hans, wat moet er nou met jou gebeuren”, vroeg Patijn. Tja, dat wist de aangesprokende zelf ook niet. “Ik bel je morgen”, zei wethouder Van der Aa (Sociale Zaken). “Laat me maar even met rust”, antwoordde Denijs. Hij pakte zijn spullen en verliet het gezelschap.

Toen volgden drie dagen waarop hij als verdwaasd door de stad liep. Nog nooit had hij zonder werk gezeten. Na zijn studie economie aan de Universiteit van Amsterdam werd hij in 1973 beleidsmedewerker bij de Nationale Woningraad. Eind jaren zeventig trad hij in dienst bij de gemeente Amsterdam, waar op dat moment onder aanvoering van de toenmalige wethouder volkshuisvesting Jan Schaeffer de stadsvernieuwing een krachtige impuls kreeg. Hij zou niet meer bij de gemeente weggaan, tenzij na het echec van de stadsprovincie er voor hem niets gevonden werd. Na drie dagen dacht hij: als ik niet snel een nieuwe baan vind, bel ik Patijn en vraag hem of ik een tijdje zijn chauffeur kan worden.

Dat hoefde niet, want Van der Aa belde hèm. De gemeente was al geruime tijd op zoek naar een nieuwe directeur van de sociale dienst. Het moest iemand zijn die voortvarend de reorgansiatie ter hand zou kunnen nemen. Iemand die niet terugdeinsde voor moeilijke beslissingen. Bij de dienst, waar 1.700 mensen werken, moeten honderd arbeidsplaatsen verdwijnen. In het kader van de nieuwe algemene bijstandswet moeten dit jaar jaar alle 67.000 cliënten-dossiers opnieuw tegen het licht worden gehouden om te bezien of de gegevens op grond waarvan uitkeringen zijn verstrekt, nog kloppen. En de dienst moet, veel meer dan in het verleden het geval was, cliënten actief begeleiden richting arbeidsmarkt.

Van der Aa: “Ik had hem in het college meegemaakt wanneer hij als projectleider stadsprovincie een toelichting gaf op de stand van zaken. Hij kwam op mij over als een no-nonsense manager, het type Jan Schaeffer. Als directeur van de sociale dienst moet je over een olifantshuid beschikken en over een zekere botheid - Denijs heeft beide, maar beschikt ook over een behoorlijk ontwikkeld inlevingsvermogen.” Er volgde een reeks gesprekken. Denijs vroeg mensen om advies, onder wie de gemeentelijke ombudsman N. Salomons: “Ik heb hem gezegd: het is een moeilijke dienst maar als er één is die deze klus aan kan, ben jij het.” Salomons kende hem nog uit de tijd dat hij directeur was van de dienst Herhuisvesting, eind jaren tachtig. “Onder zijn leiding werd de dienstverlening sterk verbeterd en er kwam een goede klachtenbehandeling.” Van der Aa: “Het afbraakrisico dat aan de baan van directeur van de sociale dienst kleeft, is groot. Maar hij overtuigde mij ervan niet te zullen weglopen wanneer het water hem na aan de lippen komt te staan.” Een maand na de teloorgang van de stadsprovincie maakte het college van B en W bekend de econoom J.W. Denijs voor te dragen voor de functie van directeur van de sociale dienst.

Weglopen - dit werkwoord komt niet in zijn vocabulaire voor. Hoewel, twee keer in zijn leven leek het daar wel een beetje op. De eerste keer toen hij 18 was. Hij had zijn diploma HBS-A op zak en leek voortbestemd om te gaan studeren. Daar werd in zijn ouderlijk huis aan het toenmalige Pretoriusplein in de Amsterdamse Transvaalbuurt gewoon van uitgegaan. De zoon besloot anders: hij monsterde aan als koksmaat op een coaster. “Het was niet echt een vlucht, maar ik wilde het heft in eigen handen nemen. Het vanzelfsprekende trok mij niet aan.” Eenmaal aan boord werd hem de hut gewezen die hij met de kok zou delen. Hij klopte aan en zag de kok met een hoer van de Wallen in bed liggen. Buitengaats bleek de kok reeds zo dronken dat hij van de ijzeren ladder viel en in bed geholpen moest worden. “Daar sta je dan. Ik had nog nooit gekookt en nu moest ik plotseling voor 17 mensen eten op tafel zien te krijgen. Ik rende zenuwachtig heen en weer tussen de keuken en de hut. De kok wist alleen het allernoodzakelijkste uit te brengen. Op die eerste dag als koksmaatje heb ik geleerd wat werken is.”

De tweede keer dat hij 'wegliep' speelde zich begin jaren negentig af - tijdens het fusieproces tussen de dienst Herhuisvesting waar Denijs toen directeur van was, en de Bouw-en Woningdienst waar ook een directeur zat. Eén van de twee kon de baas worden van de nieuw te vormen stedelijke woningdienst. Denijs besloot de concurrentieslag niet aan te gaan en trok zich terug. “Ik had zeventien jaar volkshuisvesting achter de rug. Op landelijk niveau bij de Nationale Woningraad, op buurtniveau toen we met de stadsvernieuwing bezig waren en als directeur van Herhuisvesting. Maar ik zal niet ontkennen dat ik me tijdens de fusie terugtrok omdat ik niet zeker wist of ik er als nummer één zou uitkomen. Dat speelde zeker mee.” Kort daarna werd hij directeur van Stedelijk Beheer.

Als scholier en later als student wekte hij niet de indruk graag de eerste man te willen zijn. “Hij was eerder verlegen, een beetje teruggetrokken”, zegt toenmalig medestudent R. Stork. Drinkgelagen waren niet aan hem besteed, feesten deed hij zelden. Stork: “Dat deed het groepje waar hij deel van uitmaakte, überhaupt niet erg.” Omdat Denijs na een half jaar varen had besloten noch van zijn ouders noch van de Staat een cent te willen ontvangen voor zijn studie, had hij het ene bijbaantje na het andere. De studie zelf beviel matig - hij miste de aansluiting tussen de economische theorie en de praktijk, zoals zijn middelbare-schoolleraar die altijd zo aanschouwelijk had weten te brengen en waardoor hij had besloten het vak te gaan studeren. Onder het mom 'Ik wil ook iets te zeggen hebben' nam hij deel aan de bezetting van het Maagdenhuis, het administratieve centrum van de Universiteit van Amsterdam. Terugblikkend: “Ik denk dat ik als zovelen de fout heb gemaakt om te denken dat ik in staat was mee te beslissen over de inhoud van het studieprogramma.”

De wens om iets te zeggen te hebben zat er al wèl vroeg in. Die wens was vooral ingegeven door de aanblik van zijn vader, die het leven meer over zich heen liet komen dan dat hij zelf het heft in handen nam. Nadat zijn vader was afgewezen voor de koopvaardij werd hij administrateur, een baan waar hij zich een beetje voor schaamde. Hij kon thuis uren depressief in een stoel zitten. Zijn zoon zocht op zulke momenten zijn heil in zijn eigen kamer of bij zijn grootouders, die een verdieping hoger woonden. “Mijn opa was onderwijzer geweest, voorzitter van de onderwijzersvakbond. Hij was een uitgesproken man met duidelijke opvattingen. Hij werd mijn voorbeeld, zo wilde ik ook worden.”

Daar is hij zeker in geslaagd. Mensen om hem heen beschrijven hem van eigengereid met aanleg voor een zekere botheit tot ronduit lomp. Maar tevens prijzen zij hem om zijn managerskwaliteiten, om zijn heldere uiteenzettingen en om zijn streven iets te willen bereiken. Niet ter meerdere glorie van zichzelf, maar voor de dienst waarbij hij is aangesteld. “Hij is zeer doelgericht, hij neemt geen genoegen met verhullend taalgebruik en wil resultaat boeken”, zegt zijn Rotterdamse collega-directeur J.A.J. Krosse. En passant heeft Krosse een advies voor de Amsterdamse raadsleden: geef die man de ruimte om de sociale dienst tot een goede dienst te maken en kom niet steeds aan met wisselende boodschappen. Op hun beurt zeggen nogal wat raadsleden: Denijs kan wel zeggen hoe hij vindt dat het moet, maar de politiek is verantwoordelijk. “Hij heeft er soms moeite mee dat de politiek keuzes maakt”, zegt het VVD-raadslid T. Hooijmaaijers. Toen Denijs zich recentelijk in Het Parool enigszins laatdunkend over de lokale politici uitliet, reageerden zij als door een adder gebeten. Hooijmaaijers: “Ik vond dat op zijn zachtst gezegd onverstandig.” D66-raadslid J. Alkema: “Een ambtenaar heeft niet veel te willen. De politiek beslist.” Denijs wil er zelf niet meer op terugkomen. Donderdagavond wordt hij door de raadscommissie sociale zaken achter gesloten deuren aan de tand gevoeld over zijn uitlatingen.

Zijn onorthodoxe manier van optreden leidde al eerder tot botsingen met zijn politieke superieuren. Toen hij begin jaren tachtig in de Indische buurt de stadsvernieuwing van de grond moest tillen, stuitte hij op een woud van bureaucratische regels. Hij ging naar het postkantoor in het centrum van de stad en stelde een telegram op voor H. Spoelstra, de toenmalige wethouder Openbare Werken, waarin hij het bestaan van al die regels aan de kaak stelde en de wethouder verzocht in te grijpen. Die sommeerde zijn ambtenaar direct naar het stadhuis te komen, waarna een stevige woordenwisseling volgde. Maar na een week had Denijs wel zijn zin: de tijd tussen een genomen besluit en de uitvoering ervan werd drastisch bekort.

Ook na de Bijlmerramp, in oktober 1992, liet hij zich van zijn onorthodoxe kant zien. In plaats van dagelijks in het crisiscentrum op het stadhuis waar de meeste directeuren van diensten zaten, te vertoeven, was Denijs meestentijds in de Bijlmer op pad. Als directeur Herhuisvesting moest hij immers zorgen voor onderdak voor diegenen wier woning ernstig beschadigd was en het leek hem en zijn medewerkers nuttiger ter plekke de behoefte aan vervangende woonruimte te inventariseren. Ze hielden kantoor in de sporthal in de Bijlmermeer. Er kwamen ook mensen langs die wel een woning wilden maar eigenlijk niets met de ramp te maken hadden gehad.

Spanningen bleven niet uit, er werden wapens getrokken, medewerkers van Herhuisvesting werden gemolesteerd. Na drie weken was de klus geklaard en Denijs besloot zijn mensen terug te roepen. Tot ongenoegen van toenmalig burgemeester Van Thijn, die vond dat zij daar moesten blijven. “De burgemeester kan op de pot gaan zitten”, luidde de reactie van Denijs. Op zijn buurt gaf Van Thijn hem een dienstbevel en dreigde hij hem met ontslag. Zo ver wilde Denijs het niet laten komen en hij gaf toe - zijn medewerkers bleven nog vier dagen in de sporthal. “Hij zal toen hij dat dienstbevel kreeg, gekookt hebben. Hij kan tamelijk driftig worden als hij zijn zin niet krijgt”, zegt een van zijn voormalige woordvoerders en nogal wat mensen zeggen hem dat na.

Denijs blijkt de laatste te zijn om deze karaktereigenschap weg te poetsen. “Ik was vroeger al heel driftig. Mijn vader heeft me meer dan eens op straat gezet als ik weer eens te keer ging. Het is raar, mijn zusje en ik zijn in een heel harmonieus gezin opgevoed, dus je zou denken vanwaar die driftbuien. Ik denk dat het bij ons thuis zo harmonieus toeging dat ik er soms gek van werd.”

Bij de Sociale Dienst gaat het er in ieder geval niet bijster harmonieus aan toe in die zin dat de veranderingen die onder aanvoering van Denijs moeten worden doorgevoerd, zeer ingrijpend zijn. Dat kan bijna niet gepaard gaan zonder af en toe met stemverheffing de medewerkers tot de orde te roepen. Voor hen geldt dat zij niet langer optreden als de verpersoonlijking van de uitkeringsfabriek die de sociale dienst lange tijd was maar als strenge doch rechtvaardige gesprekspartner (potentiële) cliënten wijzen op de noodzaak een baan te zoeken. “Mijn drijfveer is dat het uitkeringstelsel zoals wij dat kennen blijft bestaan, maar alleen voor de mensen die het echt nodig hebben en absoluut niet voor hen die het niet nodig hebben. Wat dat betreft ben ik iemand van de harde lijn”, zegt hij.

Het is inmiddels afgelopen met vooraf aangekondigde huisbezoeken (“dan is die tweede tandenborstel natuurlijk opgeborgen”) en ook het koppelen van bestanden om eventuele fraude op het spoor te komen, is voor hem geen punt van discussie. “Hij is met een enorme inzet bezig, de cultuuromslag die hij moet bewerkstelligen zal jaren duren maar ik heb hem heb nog nooit moedeloos meegemaakt”, zegt zijn Haagse collega J.A.M. Hilgersom.

Toch is hij dat wel eens. Als dingen niet snel genoeg lukken of wanneer zijn persoon het mikpunt is van roddel. Ook het feit dat hij zich bewust is in deze functie geen vrienden te maken, stemt hem wel eens somber. Soms zoekt hij het gezelschap op van een klein groepje mensen en geeft hij lucht aan zijn opgekropte gemoed. “Daar komt wel eens een zakdoek aan te pas.”

    • Anneke Visser