Kilometers mens, terug naar Rwanda

GOMA/GISENYI, 18 NOV. Ze is vijf, draagt een vies, verfomfaaid jurkje met hartjesmotief, haar voetjes zijn verborgen onder een dikke koek modder. 'Elise Hbimara' staat er op een kaartje van UNICEF dat om haar nek hangt. Haar blanke pop zonder kleren houdt ze ondersteboven onder haar arm geklemd. Het Hutu-meisje staat op een heuvel waarover duizenden vluchtelingen trekken, op weg naar huis, in Rwanda. Elise is pappa en mamma kwijtgeraakt. Haar lippen trillen, tranen rollen over haar kleine wangen.

De uittocht van honderdduizenden Hutu-vluchtelingen uit Zaïre was het afgelopen weekeinde een menselijk drama van ongekende omvang, met veel verdriet en soms vreugde van mensen die elkaar na jaren terugzagen.

Zaterdag rijden wij vanaf de grens bij Goma in Zaïre stapvoets tegen de stroom vluchtelingen in. De auto snijdt midden door de massa, die over de hele weg heen bolt. Iedereen moet zelf lopen, van oude mensen tot kleine kinderen. Een rij van 22 kilometer mens, een bonte cavalcade van vluchtelingen, beweegt zich voort: een man met een zelfgemaakte gitaar, een jongetje in een HEMA-rompertje, mensen met gammele handkarren of fietsen zonder banden. Een vrouw in een rolstoel is bijna niet meer zichtbaar onder haar bagage. “Muzungu”, roepen zij, “blanke, heeft u eten voor ons?” Nee, dat heeft de blanke niet. Hij verwijst hen door, verder richting Rwanda, wetend dat het nog heel lang zal duren voor er eten komt.

De eerste colonnes op weg naar huis zien er goed verzorgd uit. Kennelijk zijn de sterksten het eerst vertrokken. Maar hoe verder verwijderd van de grens, hoe zwakker de vluchtelingen. Het grote kamp Mugunga, waar tot vorige week 400.000 mensen zaten, is nu goeddeels verlaten. Het lijkt alsof een wervelwind er zijn verwoestend spoor heeft getrokken. Daarachter liggen de kampen Saké en Lac Vert, die ook leegstromen.

En daarachter is niets meer, behalve de verlorenen, de zwaar zieken, de stervenden, vergeten oudjes. Zij zitten op de puinhopen. De weg ligt bezaaid met waardeloze Zaïrese bankbiljetten, weggegooide persoonsbewijzen, machetes, schoolboeken, soldatenlaarzen, door de oorlog kapotgeschoten voertuigen en allerhande achtergelaten rotzooi. Een kaart met een gedicht voor ene Consera: “Liefhebben is geven, liefhebben is accepteren, liefhebben is gehoorzamen, liefhebben is liefhebben.”

Temidden van de troep staat een heetgebakerde Zaïrese rebel te zwaaien met zijn machinegeweer. Tot hier en niet verder, is zijn boodschap. In het achterland wordt nog gevochten, zegt hij. De guerrillastrijder wijst op een blokkade van oude voertuigen die dient als een buffer tegen een eventuele aanval van het Zaïrese leger of de overgebleven Hutu-milities. In de verte klinken schoten. Een vliegtuig hoog in de lucht wordt getrakteerd op afweervuur. Er komen versterkingen aan: tientallen rebellen, marcherend of achterop pick-up-trucks, zijn met zware wapens op weg naar het front. Het is een rag-tag army: uniformen in alle kleuren, AK-47's, een enkele uzi, gebutste granaten van vage makelij. Twee stoere rebellen omhangen met patronen zijn gekleed in rode overalls.

Op de terugweg duikt ineens een Zaïrese medewerker van het Rode Kruis uit de struiken. Er ligt een jonge man in de berm met ernstige dysenterie. Hij heet Guillaume en we mogen hem niet lagen liggen, gebiedt de man, want hulporganisaties zijn er niet aan deze kant. Als Guillaume eenmaal op de achterbank van de auto ligt, roept hij klagend en met lange uithalen “maaamma, maaamma”. Hij is vel over been. Zijn ogen staan wijd open. Hij lijkt het niet lang meer te maken. Een kilometer verder vraagt een man om zijn hoogzwangere zuster Valence mee te nemen, die ziek is. Als zij instapt, komen van alle kanten mensen, die ook - maar tevergeefs - om een lift vragen. Op weg naar het ziekenhuis kotst Valence haar maaginhoud over de zitting heen. Bij de kliniek mogen wij zelf de twee patiënten naar de ziekenboeg vervoeren op een krakende brancard.

Het loopt tegen de avond. Nabij de grens staat een ventje van amper tien jaar in uniform, en hij is boos. Hij vraagt wie wij zijn, wat wij komen doen en of wij zo snel mogelijk weer willen oprotten. Met hem valt niet te spotten. De sfeer wordt gespannen. Een volwassen rebel deelt al lopend langs de vluchtelingen rake klappen uit met zijn rotting. Een aanleiding is er niet. Hij moet zijn agressie kwijt.

Zondag in Gisenyi. Als om vijf uur 's morgens de grens weer opengaat, walst een nieuwe stroom mensen naar binnen. Het is drukkend warm vandaag. Families klitten samen bij de eerste blauwe tentjes van de Verenigde Naties. Zij verwachten voedsel, maar dat is er niet, alleen water. De mensen die hier nu lopen zijn al twee of drie dagen onderweg. Zij hebben honger en klampen iedereen die eruit ziet als een hulpverlener aan om het toverwoord dat door de rijen is gegaan: “Biscuits, biscuits, biscuits.” Als een klein, zielig jongetje zijn handje ophoudt, trek ik een zakje gedroogde pruimen tevoorschijn. Dat was geen goed idee. Zodra duidelijk is dat de voor Rwandezen onbekende bruine inhoud eetbaar is, stort zich een menigte op zak en uitdeler. Het jongetje houdt één pruim over.

Ineens klinkt een geweldig gejuich op. Enkele inwoners van Gisenyi hebben familieleden herkend. De vreugde is overweldigend, mensen vallen elkaar huilend in de armen. Meer mensen langs de route herkennen teruggekeerde familieleden of vrienden.

Adèle Basmani is een vrouw van 50. Zij is helemaal alleen. Haar man is dood, haar getrouwde kinderen heeft zij uit het oog verloren. En toch blijft zij optimistisch. “We gaan weer samenleven in Rwanda. We moeten het verleden vergeten. Aan beide kanten vielen doden”, zegt zij, en trekt nog eens flink aan haar pijp. Adèle was verpleegster toen in 1994 de genocide tegen de Tutsi's begon. Na de zege van de Tutsi-guerrillastrijders ontvluchtte zij de hoofdstad Kigali.

Een vrijwilliger van het Rwandese Rode Kruis, de Tutsi Rudasigwa Nzeli, laat zich eveneens verzoenend uit. “Het zijn onze broeders. We zijn blij dat ze terugkeren.” Een heel mooie moeder met een tweeling op de rug klampt Nzeli aan om voedsel. Zij heeft al drie dagen niets gehad. “Ik mag niets geven, zegt Nzeli. “Instructies van de VN.”

De hulporganisatie Concern heeft enkele barakken ingericht voor kinderen die hun ouders in de menigte zijn kwijtgeraakt. Al meer dan duizend kinderen hebben zij opgevangen. Paul Comiskey van de organisatie is verbijsterd. “Zoveel vluchtelingen in één keer heb ik nog nooit gezien.” Langs de route aan de Rwandese kant van de grens heeft Artsen zonder Grenzen om de zeven kilometer hulpposten ingericht. Artsen zonder Grenzen is de enige organisatie die zichtbaar aanwezig is en iets voor de mensen doet. De vluchtelingen verdringen elkaar bij de dokters in de veronderstelling dat er voedsel te halen valt. Dat is niet zo. Zakjes 'ors' (rehydratiezout) uit Amsterdam is alles wat zij kunnen krijgen.

Een meisje van tien heeft haar zusje van drie op de arm en huilt hartverscheurend: waar zijn vader en moeder? Een andere familie ontfermt zich over hen. Onder de vluchtelingen bestaat grote solidariteit. Aan het eind van de dag is de voorhoede van de colonne vluchtelingen al veertig kilometer landinwaarts. Zij hebben er drie dagmarsen opzitten. Félice Katale strijkt met haar grote familie van dertien - twee kinderen zijn onderweg verloren, één van de volwassenen is gestorven - neer in de berm voor de nacht. Reisdoel is Byumba, hun vroegere woonplaats. Zij moeten de komende dagen nog 200 kilometer lopen.

Félice en de haren hebben nog wat eten over uit het kamp en konden nog wat bonen kopen in Gisenyi. Ze koken hun potje op een houtvuurtje, net zoals duizenden anderen. De kronkelige bergweg is zo ver het oog reikt gehuld in dichte kolommen rook. Het is koud hierboven. Nacht drie in de buitenlucht voor honderdduizenden vluchtelingen onder plastic dekens. Twee broertjes van tien en zes zijn samen, maar alleen in de menigte. Zij leggen hun vermoeide hoofden op een baal met kleren. De oudste troost de jongste.

    • Lolke van der Heide