Kansloze kanszone

De aardigste plekken in de stad herken je aan de deurbel. Als daar een wirwar van namen staat en als tientallen beldraden als klimop langs de muur omhoog tieren, dan weet je zeker dat het achter de deur gonst. Ateliers, drukkerijen, bakkers, theatermakers, platenproducenten - handeltjes en ambachten op de vierkante meter.

Daar investeren de bewoners alle energie en geld in huis of bedrijf. Zonder startkapitaal van de bank. Zonder steun van de overheid. De eerste poging mislukt misschien, de tweede ook. Maar als het lukt, groeien ze uit hun uitkering, soms uit het gebouw, en als het een beetje loopt, groeit het hele gebouw mee.

Als de Randstad de motor is van de nationale economie, dan zijn deze vrijplaatsen de bougies. Het Veem, de Graansilo, vrieshuis Amerika, pakhuis Wilhelmina - als het woord niet al vergeven was, zou je die paar kilometer langs de IJ-oevers een kansenzone noemen.

De 'kansenzone' is een woord uit het rijksvocabulaire. Het zou, beloofde het kabinet bij zijn aantreden, een gebied moeten worden in een 'achterstandswijk', waar beginnende ondernemers met fiscale voordelen op streek worden geholpen. Maar dit grote-stedenbeleid voltrekt zich in het tempo van een bolderkar op een duinhelling. Onlangs kwam het bericht dat het kabinet niet alleen in Amsterdam en in Rotterdam een 'kansenzone' willen toestaan, maar ook in Den Haag en Utrecht. Denk nou niet: ha, maar dan zit de vaart er toch in? Nee, Amsterdam en Rotterdam hebben nog helemaal geen kansenzone, weten ook niet wanneer die komt en hoe die eruit zal zien.

Als het aan burgemeester Patijn ligt, zo simpel mogelijk. Een casco ruimte, twee stopcontacten en maak je de eerste maanden maar geen zorgen over de huur: we komen wel weer praten als je bedrijfje echt begint te lopen. Klinkt goed. Zo zijn de meeste van die aardige panden aan het IJ ook begonnen. Gekraakt (dus voorlopig geen zorgen over de huur), zelf opgeknapt en ingericht.

Wrang dan, dat de gemeenteraad deze week hoogstwaarschijnlijk beslist om die gonzende gebouwen een nieuwe bestemming te geven. De eigengemaakte onderkomens in Wilhelmina (werk voor honderd mensen) en misschien ook die in Amerika moeten plaatsmaken voor woningen en herbouwde bedrijfsruimten. Bittere noodzaak voor de wethouder. Hij heeft zich tegenover het Rijk verplicht tot 2005 nog 40.000 woningen te bouwen. Maar van de gemeenteraad mag je toch verwachten dat hij een afweging maakt die die ene portefeuille overstijgt. Waarom zou je afbreken wat je hebt, om vervolgens moeizaam weer hetzelfde op te bouwen op een plek en met mensen waarvan je maar moet afwachten of dat iets wordt?

Amsterdam heeft er slechte ervaringen mee. In 1994 richtte het stadsbestuur de Y-markt in, kraampjes voor kansarmen. Een half jaar heeft het geduurd, toen moest de markt dicht, waren alle kansarme ondernemers kansloos gemaakt door de schulden die ze op zich hadden genomen. 't Was geen goede plek voor de markt, heette het. O, waar stond die dan? Aan dezelfde IJ-oevers waar al die aardige pakhuizen floreren.

In de aanloop naar de raadsverkiezingen van 1994 waarschuwde PvdA-lijsttrekker Van der Laan zijn partijgenoten tegen de politieke mode van de terugtredende overheid. Een samenleving als Amsterdam houdt behoefte aan een zelfbewust en optredend bestuur, zei hij. Tenminste op die terreinen waar de overheid goed in is. Zou hij zich die nuancering nog herinneren?

    • Bas Blokker