Is de Verzekeringskamer competent?

Novembermaand, lijfrentemaand. Paginagrote advertenties wijzen erop hoe voordelig het is om nù flink te sparen voor de oude dag. Over 15 of 20 jaar is de besparing van 1996 aangegroeid tot een mooi kapitaal.

Om ten minste twee redenen is de propaganda voor zulke lange-termijn polissen dit jaar nog indringender dan in het verleden. Er is eindelijk een verlaging in aantocht van het extreme toptarief van 60 procent in de inkomstenbelasting, zodat de hogere inkomens nu de fiscus voor 60 procent kunnen laten meebetalen aan hun storting en later hoogstwaarschijnlijk maar 50 procent of nog minder hoeven te betalen over de uitkeringen. Bovendien - en dat is nog veel belangrijker - zijn de aangeboden beleggingen veel aantrekkelijker geworden, door innovaties in de aandelenprodukten.

Beleggingen in aandelen waren altijd al spannender en naar alle waarschijnlijkheid lucratiever dan beleggingen in Nederlandse staatsschuld. Bij die hogere opbrengsten hoorde echter een navenant hoger risico. Nieuw is nu dat spaarders in aandelen zich kunnen verzekeren tegen de risico's van de beurs, zonder de kans op mooie koerswinst op te geven.

Hier volgen eerst nog even de verpletterende cijfers over de superioriteit van aandelen op de lange termijn. Jaar in jaar uit brengen aandelen gemiddeld zo'n 4 tot 6 procent meer op dan beleggingen in staatsschuld, en dat lijkt misschien een klein verschil, maar cumulatief over 15 tot 20 jaar wordt het extra rendement op aandelen gigantisch. Wie 20 jaar geleden 1.000 gulden had belegd in aandelen, is nu meer dan driemaal zo rijk als de buurman die toch liever belegde in staatsschuld en meer dan vier keer zo goed af als de voorzichtige belegger bij een spaarbank (alles ongerekend belastingheffing).

De cijfers over de periode 1975-'95 zijn inclusief de zwarte maandag op de beurs in oktober 1987, waarvan het effect dus onzichtbaar wordt vanwege de mooie koerswinsten in zoveel andere jaren. Maar aandelen blijven toch riskanter. Soms kan de beurs nog venijniger dalen dan bij ons in 1987, het meest recent in Japan waar de koersen op de beurs van Tokio na 1989 met ongeveer 60 procent zijn ingestort. In Engeland verloor de beurs in het begin van de jaren zeventig ongeveer 80 procent. Tot nog toe zijn zelfs zulke kolossale crashes 15 tot 20 jaar later alweer royaal gecompenseerd, omdat na elke crisis het kapitalisme zich weer herstelt, bedrijven opnieuw winst gaan maken en stijgende dividenden kunnen betalen aan hun aandeelhouders.

Maar niet iedereen heeft genoeg stoïcisme om tijdens de wilde rit naar beneden onverstoorbaar in de roller coaster te blijven zitten. Pas sinds kort hebben ook individuele beleggers de mogelijkheid om zich te verzekeren tegen de neerwaartse risico's op aandelen met een verzekeringspremie die bij een belegging voor ongeveer 3 jaar of langer heel goed valt op te brengen. Staat de beurs aan het eind van de periode hoger dan vandaag, dan is bijna de hele koersstijging voor de belegger; zijn de koersen onverhoopt aan het eind van de rit lager dan thans, dan garandeert de verzekeringsmaatschappij of de bank toch ten minste de ingelegde hoofdsom. Daarvoor moet de particuliere belegger ongeveer afstand doen van de jaarlijkse dividenden, in ruil waarvoor zijn financiële instelling hem beschermt met zogenaamde 'put-opties'. Nu zulke beschermde aandelenprodukten eindelijk in Nederland ook gemakkelijk verkrijgbaar zijn, zullen heel veel spaarders met een geruster hart dan in het verleden kunnen kiezen voor de zoveel aantrekkelijker aandelenprodukten.

Ook de Nederlandse pensioenfondsen zijn gelukkig hard op weg om het belang van aandelen in hun beleggingen te vergroten. PGGM belegde in 1999 nog slechts 14 procent in aandelen; binnenkort wordt dat meer dan 50 procent. Het belang in staatsschuld wordt bijna gehalveerd. Andere grote pensioenfondsen volgen, maar toch is de Verzekeringskamer, die toezicht moet houden op de pensioenfondsen, zenuwachtig. Dr. Vermaat en zijn staf zijn bang dat de beurs weer kan dalen. Als pensioenfondsen dan voorstellen om de neerwaartse risico's af te dekken met put-opties en andere zogenaamde derivaten, precies zoals particuliere beleggers dat ook steeds meer gaan doen, dan reageert de Verzekeringskamer naar verluidt met onduidelijk gebrom.

Pensioenfonds-directeuren moeten serieus rekening houden met de mogelijkheid dat de Verzekeringskamer een bovengrens gaat stellen aan beleggingen in aandelen dan wel de aankoop van put-opties en andere derivaten aan strenge voorschriften gaat binden. Politiek wel begrijpelijk: Barings ging failliet op ingewikkelde termijn-transacties, het pensioenfonds van 'Orange County' in de VS werd insolvent door een verkeerde gok op de rente, en het Belgische ministerie van Financiën had ook beter ver kunnen blijven van financiële derivaten. O ja, en dan heeft de gemeente Deventer ook nog bijna één miljoen vergokt (waarom is trouwens de betrokken ambtenaar nooit ontslagen?). Allemaal waar, maar onvergelijkbare situaties en volstrekt niet relevant voor het gewenste beleggingsbeleid van de pensioenfondsen. Die willen opties en andere derivaten helemaal niet gebruiken om een extra grote gok te maken, maar integendeel juist om bepaalde risico's netjes af te dekken met modern risicomanagement. Een competente Verzekeringskamer zou dat alleen maar aanmoedigen. In plaats daarvan lijkt de Verzekeringskamer echter extra onzekerheid te creëren over de toekomstige spelregels door niet helder te onderscheiden tussen gokken (slecht) en risico's afdekken (goed). Al die onzekerheid is schadelijk voor de Nederlandse pensioenen en betekent òf hogere pensioenpremies òf pensioenen die moeilijker gelijke tred kunnen houden met de inflatie en de loonstijging in de toekomst. Komt dr. Vermaat nu niet snel met richtlijnen die pensioenfondsen aanmoedigen om met derivaten hun risicoprofiel waar nodig te verbeteren, dan kan het toezicht maar beter overgaan naar De Nederlandsche Bank. Die is bekend met het verschil tussen gokken enerzijds en risicomanagement anderzijds en lijkt bovendien door tal van intensieve internationale contacten beter op de hoogte van internationale standaards in het toezicht dan de Verzekeringskamer. Die blijft wel erg hangen in traditionele Nederlandse denkkaders. Dat blijkt ook uit het feit dat de Verzekeringskamer er nog steeds niet in is geslaagd om afstand te nemen van de verouderde afspraken over de zogenaamde rekenrente van 4 procent bij de pensioenfondsen. Een eerlijk debat over de indexatie van de aanvullende pensioenen tegen de inflatie vereist dat de Verzekeringskamer afstapt van de verkeerde rekenrente, maar dat ligt dan weer zogenaamd gevoelig vanwege de situatie bij het ABP en dus moddert Nederland verder met een inadequaat stel spelregels voor de pensioenfondsen. Precies nu de politici in Den Haag zo uitvoerig bezig zijn met de financiering van de vergrijzing, zou het helpen wanneer het analytisch niveau bij de toezichthoudende instantie aan alle redelijke eisen voldeed. Het is toch dwaas dat particulieren bij hun verzekeringsmaatschappij of bank kunnen profiteren van de nieuwe, veilige, aandelenprodukten, terwijl de veel grotere pensioenfondsen moeten leven met de handicap dat hun huidige toezichthouder er almaar niet uitkomt. Reeds tijdens het moeizame debat over de brede herwaardering in de jaren tachtig was de Verzekeringskamer weinig behulpzaam. Nu het anno 1996 gaat om de verschuiving naar aandelen en het bijbehorende risicomanagement bij de pensioenfondsen, stelt zich bij de Verzekeringskamer helaas nog dringender de vraag naar de daar aanwezige competentie.

    • E.J. Bomhoff