Een verkoolde vuurdraak in Hoets halfaffe museum in Gent

Tentoonstelling: de Rode Poort, veertig kunstenaars, in de Rode Poort, Citadelpark, Gent. T/m 2/2. Open di t/m zo van 9.30 tot 17u., gesloten 25-26 december, 1-2/1/97. Catalogus: 1000 Bfr.

Met het acrobatische gestunt van een vliegtuigje is vorige week de eerste tentoonstelling geopend in het nieuwe gebouwencomplex van het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst. In een bouwvallig, oud casino-gebouw, liepen voor die gelegenheid een aantal personen met licht afwijkend gedrag rond: ze telden voortdurend van 1 tot 9 en omgekeerd. Als je per ongeluk tegen zo iemand aanbotste, dan leek het alsof je onverhoeds op een theaterscène beland was, als een acteur die niet op de hoogte was van de regie-aanwijzingen. Of die niet wist dat het om een performance van Tatsuo Miyajima ging.

Het voormalige casino wordt ook echt een podium. Het zal aan het einde van 1998 het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst huisvesten. Pas dan behoort de eindeloze periode van voorlopige oplossingen voor de huisvesting van dit museum tot het verleden. Het MHK zal dan twintig jaar in de bovenzalen van het vlakbij gelegen Museum voor Schone Kunsten hebben gekampeerd. Het casino mag nu nog ruïneus ogen, stilzitten is niet de favoriete bezigheid van MHK-conservator Jan Hoet - uit de aandacht verdwijnen nog veel minder.

De depots en andere technische ruimten vormen samen het eerste, definitief afgewerkte deel van het toekomstige museum. Voor een museum dat stilaan een kwart eeuw kopzorgen over zijn behuizing tegemoet dreigde te gaan, is die eerste fase al een gegronde feestreden. Daarom zijn al die definitieve en voorlopige plekken (voor archief en administratie) achter het casino nu door een veertigtal kunstenaars ingepalmd. Zij nestelden zich onder meer tussen de bureau's, in de goederenlift, in het berghok, of ze stelden hun werk op in de hal die later zal dienen als opslagplaats voor kisten. De Rode Poort heet deze manifestatie. Die titel verwijst niet enkel naar de rode toegangspoort van de nieuwe depotruimte. Heel dit evenement wil 'rood' zijn: gevaarlijk, vurig, grensoverschrijdend, lichamelijk. Dat bleek al uit sommige performances op de opening. Danny Devos liet zich in een donker kelderhol op een stoel vastbinden, oog in oog met een op de muur geschilderde beeltenis van Marc Dutroux. In de tentoonstelling heeft hij stalen hokjes gezet, met binnenin een computer waarmee je informatie kan opvragen over allerlei donkere zijden van het mensdom - over massamoordernaars bijvoorbeeld.

Van een andere performance zijn nu nog sporen te zien. De Chinees Cai Guo Qiang had aan de muren en zuilen van een druk met kunst bevolkte hal, een vlechtwerk van kruitlont aangebracht. Op de openingsdag stak hij er de vlam in, met tot gevolg een serie spetterende explosies. Toen die Chinese vuurdraak uitgeknetterd en de rook opgetrokken was, mochten we niet alleen de verkoolde resten bewonderen maar werd het werk meteen aangekocht - dat maakte deel uit van het concept.

Leuk aan de tentoonstelling De Rode Poort is, dat ze alle functies van het museum doorkruist, ook en vooral de niet publiek toegankelijke. Zo wordt de kunst gepresenteerd op de plek waar ze normaal alleen wordt bewaard. De zachtaardige, boskleurige schilderijen van Philippe Morel (1897-1965) hangen in de rekken - je kan er net tussen om ze van heel dichtbij te bekijken. De keramieksculpturen van Guido Geelen staan op de paletten van de 'paletrekruimte'. Zijn meest blokvormige keramieksculpturen, die een samenpersing zijn van uiteenlopende levende en dode vormen - een hond, een autoband - voelen door die opstelling nog zwaarder aan. Vleselijker, perverser. Het geeft deze bewaarplaats een dubbelzinnig karakter en resulteert voor Geelens werk in een presentatie, die in kracht nauwelijks te overtreffen lijkt.

Zo vind je nog meer kunst op oneigenlijke plekken: in de goederenlift, in de toiletten, tussen de bureaus. Vaak gedragen de werken zich als mensen die gewoon een plaats zoeken waar ze zich thuisvoelen. Zo is het werk van de doofstomme kunstenaar Joseph Grigely in de bibliotheek te vinden, logisch voor iemand die dermate afhankelijk is van het geschreven woord.

De Rode Poort wil grenzen overschrijden, 'energie' vrijmaken, dat lees je in de catalogus en ruik je in de zalen en uithoeken van dit museum. Het leidt af en toe tot kunst met een zwaar wierookgeurtje, en tot veel simplistisch, 'grensoverschrijdend' lichaamstheater. Hier en daar is er gewoon goed werk. Een diaprojectie van Stan Douglas bijvoorbeeld, die heel subtiel met de breukvlakken tussen beeld en klank werkt, en een opvallend nuchtere Gary Hill: vier monitoren op wieltjes tonen interieurbeelden, ontstaan door het optillen en weer neerzetten van camera's.

Voor Peter Santino en Bjarne Melgaard keren we graag nog eens terug.

De meest hoopgevende vaststelling is dat het bijzonder aangenaam vertoeven is in deze ruimten. Als het eigenlijke museum net zo meevalt, dan belooft dit low-budget project alleszins het beste gebouw voor hedendaagse kunst van België te worden. 'Dat is niet moeilijk' zullen ingewijden opmerken, en daarom voegen we er aan toe: meer dan het beste. Minder verdient de Gentse verzameling niet.