De zin van hulp

ALS SNEEUW VOOR DE ZON is dit weekeinde de tragedie in het hart van Afrika weggesmolten. Althans, die indruk is gewekt. Een half miljoen vluchtelingen zijn, na een verblijf van ruim twee jaar in kampen in Zaïre, in de loop van een paar etmalen naar Rwanda teruggekeerd.

Maar hoe voorbeeldig dit alles ook is, niet alle problemen zijn daarmee opgelost. De roep dat de hulpverlening nu wel weer aan de hulporganisaties kan worden overgelaten, klinkt dan ook vrij voorbarig. Er is de kwestie van de veilige herhuisvesting van de teruggekeerden, er verblijven nog honderdduizenden Rwandezen in het omliggende buitenland en de Hutu-milities zijn dieper Zaïre ingetrokken waarmee de ontwrichting van dat land verder is toegenomen. De Tutsi-rebellie in Oost-Zaïre zal bovendien niet eenvoudig ongedaan worden gemaakt.

De beperking van de hulpverlening in Centraal-Afrika tot het strikt humanitaire steekt af tegen de veel verder gaande bemoeienis van de internationale gemeenschap met Bosnië. De kritiek van VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali komt in de herinnering toen hij in 1992 pleitte voor een interventie in Somalië teneinde daar de hongersnood te lenigen. Hij maakte het Westen toen het verwijt dat het Afrika links liet liggen en al zijn aandacht richtte op het uiteenvallen van Joegoslavië. Opnieuw rijst het beeld van een aparte behandeling. Terwijl een nieuw mandaat Bosnië zeker nog een jaar lang van een vredesmacht voorziet en lokale verkiezingen onder internationaal toezicht in het verschiet liggen, ziet het er naar uit dat de bewoners van Centraal-Afrika hun zaakjes vooral zelf zullen moeten opknappen.

DE INTERNATIONALE gemeenschap ontwijkt een consistente aanpak van de problematiek van de etnische, religieuze, culturele en politieke tegenstellingen die bestaande staten ondermijnen. Cambodja is nog steeds het schoolvoorbeeld van een uitgeput en ontheemd volk in een gedesintegreerde staat waar een internationaal mandaat het land weer op de been heeft geholpen. Het succes van die operatie is overigens ook weer niet zo eenduidig dat zij voor een automatische herhaling in aanmerking komt. Bovendien zijn de samenstellende delen van iedere crisis weer anders.

De vraag rijst of (humanitaire) hulpverlening zelf averechts werkt en crises verergert. Het langdurige verblijf van de Hutu's in de Zaïrese kampen lijkt een bevestiging: een politieke oplossing werd erdoor vertraagd. In Bosnië werd de etnische zuivering mede bevorderd door de hulpverlening. Dat haar oogmerk zuiver was - het redden van mensenlevens - deed niets af aan de belabberde consequenties - die nu een herintegratie van de verschillende bevolkingsgroepen en de schepping van een levenskrachtig staatsverband ernstig bemoeilijken zo niet praktisch onmogelijk maken.

Voor dit dilemma is geen eenduidige oplossing. Hulp vervaagt verantwoordelijkheid, maar waar die toch al zoek is, rest slechts het 'doe wel en zie niet om'. Geen politieke analyse, hoe overtuigend ook, weegt op tegen die eerste eis van moraliteit. Of het nu om Bosnië of om Zaïre gaat.