De voorzitter (m/v)

REEDS ENKELE MAANDEN speelt zich op het Binnenhof zowel voor als achter de coulissen een soort tragikomedie af over het voorzitterschap van de Tweede Kamer. Een onderwerp dat aan de orde is omdat de huidige voorzitter, Deetman, per 1 december uit de Kamer vertrekt wegens zijn benoeming tot burgemeester van Den Haag.

Strikt genomen zou de opvolging een simpele zaak moeten zijn. Eén van de ongeschreven regels in het parlement luidt dat de grootste fractie in principe de voorzitter mag leveren. Dat van deze regel kan worden afgeweken, bewijst het voorzitterschap van Deetman. Hoewel het CDA bij de verkiezingen van 1994 niet meer als grootste partij uit de bus kwam, stemde de Kamer in met een prolongatie van zijn in 1989 begonnen voorzitterschap. Met instemming van de PvdA, de grootste fractie, werd gekozen voor continuïteit.

Thans gaat het om een andere vorm van continuïteit. Het betreft nu niet de persoon, maar de partij. Fractievoorzitter Heerma van het CDA heeft zijn collega's van de andere grote partijen informeel laten weten dat zijn partij het voorzitterschap van de Tweede Kamer tot aan de volgende verkiezingen zou willen voortzetten. De andere fractievoorzitters - dat wil zeggen, die van de grote partijen - hebben vervolgens positief gereageerd op deze wens. Het voorzitterschap van de Tweede Kamer maakt namelijk deel uit van een officieuze afspraak tussen de fractievoorzitters van de grote partijen waarin ook het voorzitterschap van de senaat en het vice-presidentschap van de Raad van State een rol spelen.

De partijkleur van de nieuwe voorzitter was hiermee dus op hoog niveau bepaald. Voor het CDA stond met de persoon van het Kamerlid Bukman ook de naam van de kandidaat-voorzitter vast. Vanuit enkele andere fracties is echter de wens te kennen gegeven dat naar een vrouwelijke voorzitter zou moeten worden gestreefd. Zeker uit de mond van de heren fractievoorzitters is dit een enigszins hypocriet aandoende wens. Want hoe stond het met hun voorkeursbeleid toen ze het, bijvoorbeeld ten tijde van de kabinetsformatie, écht voor het zeggen hadden?

DE KWESTIE MAN of vrouw leidt de aandacht af van de vraag waar het bij de benoeming van een voorzitter werkelijk om gaat. Als gevolg van de al eerder gemaakte bredere politieke afweging, was het adagium van de beste of meest geschikte persoon al verlaten. Dat is op zichzelf niet ongebruikelijk in de politiek, waar men per definitie te maken heeft met meer dan een belang. Toch zouden bij de verkiezing van de voorzitter van de Tweede Kamer, die geacht wordt alle 150 leden te vertegenwoordigen, dergelijke 'andere overwegingen' geen rol mogen spelen.

Ondanks het gesputter over de 'sekse' zal de Tweede Kamer binnenkort bij het voordragen van een nieuwe voorzitter een keuze kunnen maken uit één naam. Dat is een aanzienlijke verarming vergeleken bij de situatie toen de Kamer het nog niet zelf voor het zeggen had. Toen het benoemen van een voorzitter nog was voorbehouden aan de Koning, hetgeen tot de grondwetsherziening van 1983 het geval was, kreeg deze vanuit de Kamer tenminste nog drie namen voorgelegd. Weliswaar werd de Koning geacht de nummer een op de lijst te benoemen, maar het betekende wel dat er in de Kamer een afweging was gemaakt.

Nu hebben de Kamerleden slechts in te stemmen met de kandidaat die het CDA voordraagt. Een parlement dat zich na lange tijd weer eens wat meer als leeuw is gaan gedragen, verdient een meer afgewogen benoemingsprocedure.