Voedseltop in Rome in teken van hulp aan arme boeren; 'Platteland is te lang genegeerd'

ROME, 16 NOV. Een sleutelwoord op de Voedseltop in Rome is plattelandsontwikkeling. Veel niet-gouvernementele organisaties roepen al jaren dat hulp aan arme boeren de beste manier is om armoede en honger te bestrijden en de voedselproduktie te verhogen zonder grote schade voor het milieu. Ook de Wereldbank heeft nu een mea culpa uitgesproken en gezegd dat hij zich heeft vergist door de steun voor landbouw in de Derde Wereld te verminderen.

“Regeringen en internationale donors hebben beide de plattelandsontwikkeling genegeerd,” zei de president van de Wereldbank, James Wolfensohn. “Wij hebben de afgelopen tien jaar onze focus op landbouw verminderd. Dat wordt nu teruggedraaid.”

In het actieplan dat de bank heeft gepresenteerd op de Voedseltop, staat als nummer één dat het nationale beleid een ondersteuning moet zijn van landbouw- en plattelandsontwikkeling, en die niet moet tegenwerken. In veel structurele programma's die Derde-Wereldlanden de afgelopen jaren hebben opgesteld onder druk van de Wereldbank of het Internationaal Monetair Fonds, heeft afbetaling van de buitenlandse schuld voorrang gekregen boven plattelandsontwikkeling.

Volgens een rapport van de Wereldbank moet de nadruk weer komen te liggen op rurale groei en op de strijd tegen de armoede op het platteland. Dat heeft als bijkomend voordeel dat de exodus naar de steden, met alle economische en sociale problemen die daarmee gepaard gaan, kan worden afgezwakt.

“Gegeven het feit dat zeventig procent van de armen in de wereld in plattelandsgebieden woont, is het essentieel voor armoedeverlichting dat we veel meer aandacht geven aan plattelandsontwikkeling,” zei Wolfensohn. Hij zei dat de Wereldbank daar al mee begonnen is en de trend van het afgelopen decennia, waarin de uitgaven van de bank voor landbouw zijn gehalveerd, zal worden omgebogen.

In feite is er een sprake van herwaardering van landbouw als middel voor economische groei. “Groei in de landbouw is bij herhaling de hoeksteen geweest van algehele nationale groei,” zei Wolfensohn. De ontwikkelingen in China, Indonesië en Japan zijn daarvan een duidelijk voorbeeld.

De niet-gouvernementele organisaties, NGO's in het jargon, tekenen daar bij aan dat de subsidies in veel rijke landen op landbouwprodukten destructief hebben gewerkt voor veel kleine boeren in de Derde Wereld. Daarnaast heeft de globalisering van de landbouw in hun ogen ook geleid tot een overhaaste industrialisering van de landbouw, met grote nadelige gevolgen voor het milieu.

Veel NGO's hebben de afgelopen dagen ook kanttekeningen gezet bij de vrije-marktfilosofie van de Wereldbank. Wolfensohn zei dat hij geen beter middel ziet om honger te bestrijden dan bevordering van de handel. De NGO's zijn het daar op wereldniveau niet mee eens. Zij pleiten juist voor een model van economische decentralisatie, dat zou moeten leiden tot een betere verdeling van macht en rijkdom. Tegenover globalisering stellen zij de versterking van lokale en regionale netwerken. Zij vinden dat de meeste landen voedselproblemen in eigen land moeten oplossen, niet door het voedsel op de wereldmarkt te kopen. Uiteindelijk wordt negentig procent van het voedsel geconsumeerd in het land waar het wordt geproduceerd.

Ondanks die accentverschillen is de nieuwe nadruk op plattelandsontwikkeling een belangrijke wending. Dit wordt van harte toegejuicht door de organisaties van zogeheten familieboeren, die de kleine boeren vertegenwoordigen. Zij hadden donderdag hun eigen top in Rome georganiseerd, waarin zij om maatregelen vroegen om de kleine boeren te beschermen tegen de grote industrieel opgezet landbouwbedrijven.

“Eeuwen van ervaring hebben ons laten zien dat de familieboerderij het meest blijvende en duurzame model voor landbouwbouwproduktie is, en het in stand houden van het familieboerderijmodel van landbouwproduktie zou het hart moeten zijn van iedere lange-termijn politiek om wereldwijde voedselveiligheid te verzekeren,” schrijft een dertigtal organisaties in een gezamenlijke verklaring.

Bijzondere aandacht in de discussie over plattelandsontwikkeling gaat uit naar de positie van de vrouw. Door de trek naar de steden wordt wereldwijd gezien meer dan de helft van het voedsel geproduceerd door vrouwen. In Afrika ten zuiden van de Sahara en in het Caraïbisch gebied kan dat percentage oplopen naar tachtig procent. In Azië wordt het werk in de rijstvelden voor vijftig tot negentig procent gedaan door vrouwen.

Veel hulpprogramma's spelen onvoldoende in op die situatie. Zij gaan uit van de man als gezinshoofd. Bij het verstrekken van informatie over gewassen en milieuvriendelijke produktiemethoden, van kredieten en van voedsel wordt er onvoldoende rekening mee gehouden dat vrouwen de belangrijkste doelgroep zijn. Door de toenemende rol van vrouwen in de landbouw en de beperkte aandacht hiervoor is de armoede gefeminiseerd. Het aantal vrouwen dat beneden de armoedegrens leeft, is de afgelopen kwart eeuw sneller gestegen dan het aantal mannen. Zeventig procent van de 1,3 miljard armen zijn vrouw.

De projecten voor plattelandsontwikkeling zullen daarom veel meer dan nu het geval is, moeten worden toegesneden op vrouwen, willen zij effectief zijn. Een studie van de Wereldbank heeft uitgewezen dat van alle denkbare investeringen in ontwikkelingslanden, die in een betere opleiding voor vrouwen de hoogste return rate heeft.