Vermakelijke rarekieks

Tentoonstelling: Magische Optica. Toverlantaarns, kijkdozen en andere vermakelijkheden. Museum Boerhaave, Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. T/m 4 mei 1997. Geopend di t/m za 10-17u, zon- en feestdagen 12-17u. Catalogus ƒ 15,-.

DE TOVERLANTAARN is de grootvader van de video. Wie hem precies heeft uitgevonden, is onbekend. Vaak valt de naam van Athanasius Kircher, een jezuïet met een hang naar het occulte, maar de beste papieren heeft Christiaan Huygens. In een brief uit 1659 schetste hij ronde lantaarnplaatjes die met een lamp en een stel lenzen werden geprojecteerd. Een voorstel van vader Constantijn een demonstratie te geven aan het Franse hof saboteerde hij. Christiaan zag de laterna magica als voos kermisspul en wenste er als serieus geleerde niet mee geassocieerd te worden.

Van de nog resterende projectielantaarns staat de oudste in Museum Boerhaave. Het houten gevaarte was eigendom van Jacob Willem 's Gravezande en is rond 1720 vervaardigd in de werkplaats van de Leidse instrumentmaker Jan van Musschenbroek. Als lichtbron diende een olielamp, rook en warmte ontsnapten uit de blikken schoorsteen. Begin dit jaar heeft prof.dr. W.A. Wagenaar, komend rector magnificus van de Rijksuniversiteit Leiden en Nederlands bekendste lantaarnist, er voor de leden van de 'Magic Lantern Society' nog een voorstelling mee gegeven.

Op de tentoonstelling Magische Optica, vanaf vandaag in Museum Boerhaave te zien, is Wagenaar prominent aanwezig. Niet alleen heeft hij lantaarns, kijkdozen en vooral veel plaatjes uit zijn collectie in bruikleen afgestaan, ook worden doorlopend opnamen getoond die in zijn theatertje zijn geschoten. Zo zien we een lantaarnvoorstelling van een draaiende molen die vlam vat, alles met behulp van overvloeiende beelden, en een melodrama over een ternauwernood afgewend spoorwegongeluk, compleet met toelichting op rijm. Voor de duur van de tentoonstelling zal Wagenaar ook in het museum enkele levende optredens verzorgen.

Bewegende en stilstaande beelden hebben ieder hun afdeling. Lichtsluizen van gedrapeerde gordijnen zorgen voor de juiste sfeer en geven de ruimtes spanning. De teksten zijn lichtvoetig, diepgaande waarnemingsfysiologie wordt uit de weg gegaan en net als vroeger is alles erop gericht de toeschouwer te vermaken. Om die reden zijn er behalve originele stukken, waaronder vitrines met prachtige kijkdozen uit de Lakenhal en draaischijven uit de collectie-Plateau, ook kopieën opgesteld waarmee naar hartelust mag worden gespeeld en geëxperimenteerd.

Een bijzondere kijkdoos is de rarekiek. Daarin zat een opticaprent met een sterk perspectief en een lens die voor diepte zorgde. Door uit de prent stukjes te snijden en gekleurd papier over de gaten te plakken, kon met doorvallend kaarslicht een feeëriek effect opgeroepen worden: ineens zag je een in feesttooi gehulde Pont Notre-Dame in Parijs of een brandend New York bij nacht. In een wand zijn op de tentoonstelling op verschillende hoogtes rarekieks ingebouwd, met de mogelijkheid tussen dag- en nachtverlichting heen en weer te schakelen.

De stereoscoop - in de speelgoedwinkel van nu heet hij viewmaster - was de vorige eeuw razend populair. De London Stereoscopic Company stuurde in 1854 een leger eigen fotografen de wereld in en kon de klant binnen een jaar 100.000 opnamen uit voorraad leveren. De toeschouwer reisde in zijn leunstoel naar de meest exotische oorden en iedere keer openbaarde voor zijn ogen zich het wonder: dubbelfoto's die een tastbare ruimte schiepen die je zo binnen leek te kunnen gaan.

Door de nawerking van het licht op ons netvlies ontstaat de illusie van bewegend beeld. Een pionier op dit gebied was de Gentse natuurkundige Joseph Plateau. In 1832 ontwikkelde hij de fenakistiscoop: op een schijf staan figuren in opeenvolgende bewegingsfases naast elkaar afgebeeld, met op regelmatige afstand spleten. Wanneer je de schijf voor een spiegel draait, zie je door de spleten een vloeiende beweging. Varianten op dit principe zijn de praxinoscoop, die met veelkantige spiegels werkt, en de zoötroop, waarbij door een trommel wordt gekeken.

Alles mondde uit in de bioscoop en een monitor toont vroege films, inclusief het gesnor van de projector. Maar in 1895, het geboortejaar van de film, deed eerst nog de mutoscoop zijn intrede. In dit apparaat zijn fotoreeksen in waaiervorm op een as gemonteerd. Uit het Nederlands Filmmuseum komt de Kinora, een fotorol van een halve minuut die een etende peuter toont, en een luxueus eikenhouten tafelmodel dat een spoor met baanwerkers en een passerende trein te zien geeft. Mutoscoopboekjes zijn in de gespecialiseerde speelgoedwinkel nog steeds te koop.

De tentoonstelling, en ook de catalogus van de hand van Peter de Clercq, besteedt naast alle tovertoestellen vooral aandacht aan de enorme verscheidenheid aan plaatjes die ermee werden getoond. In de skeletten die hun hoofd afzetten en de man die zijn neus afknipt herkennen we moeiteloos de animaties van Monty Python. Er zijn stripverhalen van Wilhelm Busch met varkens die zich tegen de slacht verzetten, veel Boerenoorlog, vuurwerk, de aardbeving in Messina en natuurlijk erotiek - de behoefte aan wegdromen is van alle tijden.