Verbeelde feiten

Spiegel Historiael, maandblad voor geschiedenis en archeologie. Jaargang 31, november/december 1996. Jubileumnummer: De historische roman. ƒ 15,-.

To bring the dead to life

Is no great magic.

Few are wholly dead:

Blow on a dead man's embers

And a live flame will start.

WELKE HISTORICUS wil niet het verleden tot leven wekken, de lezer inwijden in het reilen en zeilen van lang vervlogen tijden? Maar het behoort tot de tragiek van de geschiedwetenschap dat dit Lazarus-effect vaak veel beter tot stand komt in historische romans - die een wereld scheppen waarin de lezer zich kan laten onderdompelen, ongehinderd door voorzichtige voorbehouden of wetenschappelijke notenapparaten.

De historische romans over de Romeinse keizer Claudius van de Britse schrijver Robert Graves, die over het schrijven daarvan bovenstaande dichtregels schreef, hebben waarschijnlijk meer gedaan voor de verspreiding van kennis van de oudheid dan veel gymnasiumopleidingen bij elkaar. Natuurlijk, bij elkaar gefantaseerde 'historische' romans wekken slechts hoon bij geschiedkundigen, maar andere romans zijn wel degelijk gebaseerd op gedegen bronnenkennis. De historicus weet dat in de Romeinse teksten van Tacitus en Suetonius vrijwel alle basisbestanddelen uit Graves' boeken zijn te vinden. Maar geen oudhistoricus die zo fraai weer vuur in de oude klassieke sintels kan blazen.

Het beeld dat oprijst uit de 'Romeinse' romans van Graves - waaronder ook het ten onrechte weinig bekende Count Belisarius over de gelijknamige generaal van de zesde-eeuwse keizer Justinianus - draagt wel degelijk bij aan een beter begrip van de geschiedenis. Bij echte wetenschappelijke analyse komt natuurlijk meer kijken, maar als ik denk aan de problemen van Justinianus' wereldrijk staan me onmiddellijk de belegeringen van het vervallen Rome uit Belisarius voor ogen. Een geïnformeerd romanschrijver kan een wereld beschrijven die ook de historicus voor ogen heeft, maar die hij niet mag publiceren wegens gebrek aan bewijs.

Deze maand is het jubileumnummer - ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan - van het populaire 'maandblad voor geschiedenis en archeologie' Spiegel Historiael geheel gewijd aan de historische roman. Bij de verkiezing van de beste historische roman door de lezers eindigt Graves' Ik Claudius op de tiende plaats. Absolute overwinnaar is Het woud der verwachting door Hella Haasse, over het leven van de vijftiende-eeuwse dichter Charles van Orléans. Haasse, vaak geprezen om haar zorgvuldige bronnenstudie, beheerst het toneel volledig: onder de tien hoogst geplaatste boeken zijn er vijf van haar hand.

Geschiedenis en literatuur groeien weer naar elkaar toe, zoveel is wel duidelijk. En niet alleen omdat vorige maand de Leidse professor Frits van Oostrom zijn wetenschappelijke biografie van de dertiende-eeuwse dichter Jacob van Maerlant bekroond zag worden met een prestigieuze literaire prijs. De geschiedwetenschap is het laatste decennium teruggekomen van de tabellen en grafieken die in de jaren zeventig nog het middel bij uitstek leken om door te dringen tot het dagelijks leven in het verleden. Nu staat het 'beeld' centraal. Het verhaal mag weer verteld worden. Ter rechtvaardiging is er zelfs een nieuwe geschiedfilosofie op gebaseerd: het 'narrativisme'. Die filosofie komt er zo'n beetje op neer dat zolang de bouwstenen van het geschiedverhaal in overeenstemming zijn met controleerbare historische feiten, de historicus grote vrijheid heeft om er zijn eigen 'beeld' mee op te bouwen. Leve de creativiteit dus. Geschiedschrijving is niet het 'navertellen' van wat er volgens overgeleverde bronnen gebeurd is, maar het construeren van een overkoepelend, samenhangend beeld, van de 'Renaissance' of van de 'Franse Revolutie' - of van Van Maerlant.

Jammer genoeg overheerst in het 'jubelnummer' van Spiegel Historiael de aandacht voor de letterkundige kant van de historische roman, al blijkt uit de literaire overzichten wel duidelijk dat het genre in Nederland aan een grote opmars bezig is. Lange tijd waren Hella Haasse en Theun de Vries de eenzame beoefenaars, maar sinds 1990 verschijnen er historische verhalen en romans alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, zoals van P.F. Thomèse, Nelleke Noordervliet, Margriet de Moor en Thomas Rosenboom. In het buitenland is de historische roman overigens nooit echt in onbruik geraakt. Marguerite Yourcenar schreef haar mooiste romans over een Romeinse keizer en over een zestiende-eeuwse filosoof.

De confrontatie tussen roman en geschiedschrijving vindt in Spiegel Historiael vooral plaats in de rubriek 'De beste historische roman...' waarin een aantal historici hun lievelingsroman beschrijven. De Rotterdamse mentaliteitshistoricus Willem Frijhoff koos De Waterkelder door Michael Pye, over een hoer die leefde in het zeventiende-eeuwse Nieuw Amsterdam, het latere New York. Toen hij het onlangs verschenen boek aangekondigd zag, sloeg de schrik hem om het hart. Hij had net een studie geschreven waarin dezelfde geschiedenis voorkwam. Veel bronnen had de romanschrijvende historicus Pye niet, maar de specialist Frijhoff prijst zijn tekening van het kwetsbare leven van een vrouw uit de lagere klassen. “Zijn roman vertelt het verhaal dat de historicus in zijn bronnen mist. Ik heb me dankbaar laten meeslepen”, aldus Frijhoff. De feiten mogen niet altijd gevolgd zijn, het 'beeld' klopt wel.

De hoogleraar theoretische geschiedenis Frank Ankersmit koos voor een roman over de Franse Revolutie, die hij al leest sinds hij vijftien was. Dat Ankersmit een groot voorvechter van het 'narrativisme' is, blijkt wel uit zijn lof voor de roman. Hij ziet in de roman 'in volstrekte helderheid' beschreven hoe in de Revolutie de tragedie van de volgende eeuwen wordt weerspiegeld. “Nooit werd een boek geschreven waarin deze betekenis van de revolutie op een schitterender en clairvoyanter wijze verwoord werd dan in Aldanovs De Negende Thermidor. Geen geschiedschrijving heeft en zal dit ooit kunnen overtreffen.”

Deze problematiek had nog wel wat verder kunnen worden uitgewerkt in het themanummer. Dat het jubilerende Spiegel Historiael zich wat al te zeer door letterkundigen op sleeptouw heeft laten nemen, blijkt misschien ook uit het onderschrift bij een tekening door de historicus Johan Huizinga van een klassieker uit de 'Vaderlandsche Geschiedenis': de sterfscène van de jonge Bourgondische hertog Filips de Schone - de vader van Karel de Vijfde - na het drinken van besmet water (1506). Maar de onderschriftenmaker heeft deze Philippe le Beau verward met een heel andere Filips de Schone: de Franse koning Philippe le Bel die in 1314 stierf. In de geschiedschrijving zullen simpele feiten altijd belangrijk blijven.

    • Hendrik Spiering