Van boord; Een dag in het schippersinternaat Prins Hendrik in Nieuwegein

Bidden bij het eten, televisie met mate en chips alleen op woensdag. Als ze zes jaar oud zijn, moeten schipperskinderen de vrije vaart verruilen voor het geregelde leven in een internaat. Het huis van de kinderen ligt 's morgens nog in de haven van Dordrecht en 's avonds aan de kade van Wageningen. Zelf worden ze wakker in een stapelbed in Nieuwegein. Kleine deserteurs aan de wal.

I

Er zijn schipperskinderen en walkinderen. Maar als je vraagt of er verschil is schudden ze van nee. Een schipperskind wil niet anders zijn dan een walkind en een walkind kent het leven van een schipperskind niet. Ze wonen op een boot. Maar daar gaat het meteen al mis, want wie over een boot spreekt, wordt met minachting bekeken. “Wij wonen op een schip”, zegt de zesjarige Bennie, “en we varen overal behalve op zee.”

Het is ook moeilijk voor te stellen hoe het is om op te groeien in een varend huis dat tegelijk het werkterrein is van je ouders. Waar geladen en gelost wordt en de auto met een hijskraan op de wal wordt gezet als je boodschappen moet doen. Een huis dat 's morgens nog in de haven van Dordrecht ligt en 's avonds aan de kade van Wageningen. Het gebonk van de motor, de geur van de stuurhut en het wachten op vracht. Zomaar de keukendeur opengooien en achter een bal aanrennen, dat kan niet.

Maar het grootste verschil komt nog: ieder schipperskind wordt er vanaf zijn geboorte op voorbereid dat hij met zes jaar naar het internaat gaat. Als kleine deserteurs gaan ze deelnemen aan het walleven. Hun vader en moeder worden weekend- en vakantieouders en dan moet het altijd leuk zijn.

Zes jaar lijkt lang als je een baby in je armen hebt, maar de pijn van het afscheid begint al eerder. Veel ouders weten uit eigen ervaring hoe een zesjarige zich voelt als hij voor het eerst op zondagavond wordt weggebracht. Het schippersleven gaat soms al generaties lang over van vader op zoon en van moeder op dochter.

II

Het Prins Hendrik Internaat ligt in de schaduw van de Beatrixsluizen, daar waar het Lekkanaal de verbinding maakt tussen Amsterdam Rijnkanaal en Lek. Vreeswijk, een bekende naam in schipperskringen, is ingeruild voor Nieuwegein.

Het is nog donker als groepsleidster Annelies ('juf Annelies') om zeven uur 's morgens de kamers van leefgroep IJsselhof langsgaat om de kinderen te wekken. Sommige bedden zijn nog leeg. Twaalf kinderen zijn op zondagavond door hun ouders teruggebracht, drie kinderen liggen zo dichtbij dat ze op maandagochtend rechtstreeks naar school gaan. Michiel (7) die kwiek uit het bovenbed springt vertelt dat hij uit Maastricht moest komen. Rianne (10) kwam uit Groningen en haar kamergenootje Odilé (10) uit Rotterdam. De twee meisjes staan om kwart over zeven al gewassen en gekamd in de deuropening van hun kamer. “Als we heimwee hebben gaan we naar de juf”, zegt Odilé. “Of we troosten elkaar door over het weekend aan boord te praten”, vult Rianne aan. Schipperskinderen zijn niet thuis geweest, maar aan boord.

Om half acht vouwen de kinderen hun handen en sluiten hun ogen. Juf Annelies dankt de Heer voor al het goede, maar vraagt Hem vooral steun voor de vader van Rianne die vandaag een zware operatie moet ondergaan. Rianne hapt dapper in haar boterham met worst, maar haar blik verraadt zorg. Over haar vader in dat verre Groningse ziekenhuis en over hun schip dat al sinds de zomer stil ligt.

III

Maandagavond is het vaak onrustig in de groep. De kinderen moeten weer aan elkaar en aan de regels wennen. Zondagavond is soms een beetje droevig. Kinderen kruipen huilend tegen hun ouders aan als deze om half acht weggaan. “Ik moet ze wel eens van de vader of moeder afhalen”, zegt juf Annelies. Uit haar negentienjarige ervaring op het internaat weet ze dat het huilen meestal na tien minuten over is. “Maar het lastige is dat de ouders dat niet zien. Ze laten een huilend kind achter.” Daarom is er op zondagavond als de ouders weg zijn limonade en vertellen de kinderen in de zithoek wat ze hebben meegemaakt aan boord.

Aan de telefoon kan het ook mis gaan. Vader en moeder op het IJsselmeer, kind snikkend op de gang van IJsselhof. “Maar ouders huilen ook”, zegt Annelies. Het nest is te snel leeg. “Het eerste kind dat naar het internaat gaat is het moeilijkst. Bij de volgende gaat het meestal iets makkelijker.” Er zitten veel broertjes en zusjes op het internaat. De kleine Martin (6) heeft drie zusjes op Prins Hendrik. Dat hij hier woont vindt hij de gewoonste zaak van de wereld. Het is juist leuk, van heimwee heeft helemaal geen last. Hij draagt een mapje bij zich met foto's van hun nieuwe schip. Aan de kade, op open water. Groter en mooier dan het schip dat ze nu hebben, verzekert hij vol trots. 's Avonds bij het voorlezen kruipt hij dicht tegen juf Jeanet aan die de dienst intussen van Annelies heeft overgenomen. Grote knuffelpantoffels aan z'n voeten, het zachte oor van het knuffelkonijn onder z'n neus. Z'n oogjes knipperen van moeheid.

IV

Annelies voelt zich de vervangende moeder van een heel groot gezin. Ja, ze heeft een opvoedende taak, maar wel in nauwe samenspraak met de ouders. Ze gaat met de kinderen mee naar de tandarts, ze regelt de turnles, heeft gesprekken op school. En ze troost als er opa's of oma's doodgaan, als er zieke ouders zijn of er is iets met het schip. Maar ouders kunnen tegenwoordig veel meer zelf doen. “Vroeger bleven de kinderen van vakantie tot vakantie op het internaat”, weet Annelies nog. Ze hadden geen auto op het schip en de telefoonverbindingen waren slecht. “Nu komen ze desnoods uit Duitsland en Frankrijk gereden om hun kinderen vrijdags op te halen en zondags weer terug te brengen.”

De moeder van Anneke (7) en Egbert (11) regelt dat ze vandaag in plaats van morgen met Anneke mee naar de schooldokter kan. “We liggen nu leeg in Wageningen, misschien liggen we morgen in Europoort.” In het leven van een schipper valt weinig te plannen, zegt ze, aan de wal is het heel gewoon dat alle afspraken altijd doorgaan. Na veertien jaar aan boord begint ze er eindelijk een beetje aan te wennen. Walmensen vragen haar: “Hoe kun je het doen, je kinderen op een internaat?” Aan boord kunnen ze niet fietsen en niet buitenspelen en hebben ze een beperkt sociaal leven, vindt de moeder. “Mensen hebben een negatief beeld van internaten, maar het is hier zo huiselijk en er wordt zoveel met ze gedaan. De kinderen zitten hier allemaal in hetzelfde schuitje. Eerst was ik bang dat m'n kinderen zouden veranderen. Maar dat gebeurt niet.” Ze staat op om naar de schooldokter te gaan en besluit dat je het leven aan de wal vooral niet moet idealiseren. “Goede vaart”, zegt Annelies.

V

De regels op de IJsselhof zijn duidelijk. Er hoeft aan weinig getwijfeld te worden. 's Morgens bed opmaken en raam open. Wassen, haren kammen en aankleden. Bidden voor en na het eten. Chips op woensdag en na de limonade 's middags een greep uit het eigen snoeptrommeltje. De televisie gaat pas aan als er in de gids is gekeken, en dan nog met mate. Liever buiten spelen zolang het nog licht is of spelletjes doen als het regent. Op de achterkant van de servieskast hangen de lijstjes. Wie er afwast na het eten, de boel wegzet en de etenskar weer terugrijdt naar de keuken. 's Morgens na het ontbijt worden de namen voorgelezen van de kinderen die gym hebben of naar zwemmen gaan. Iedereen, ook de kleintjes, pakt zelf zijn rugzak en 's middags bij thuiskomst gaan de spullen in de wasmand. “We zijn consequent, maar met een kwinkslag”, zegt Annelies. “Er zijn meer regels dan in een gewoon gezin, maar over alles valt te praten”, vindt Jeanet.

Odilé en Rianne verheugen zich erop dat ze volgend jaar naar de volgende groep gaan: “Daar mag je je schoenen aanhouden en krijg je een slot op je kast.” Nu moeten de schoenen in de gang onder de jassen, de kinderen mogen alleen op sloffen de huiskamer in. En alle kinderen weten precies hoe laat ze naar bed moeten. Op een groot vel met vijftien klokjes staan de namen en de tijd aangegeven. De zesjarigen liggen er om kwart voor zeven in, de elfjarigen gaan om half negen. Als je jarig bent krijg je er een half uur bij en één keer in de zoveel tijd kun je om een 'late avond' vragen. “De kinderen vinden het plezierig als ze weten waar ze aan toe zijn”, concludeert Annelies. Maar Roald (9) vindt het regime te straf. Is het leuk op het internaat? “Nee”, zegt hij hardgrondig. “Aan boord mag ik veel meer.”

VI

Er wordt om vijf uur warm gegeten. Juf Annelies gaat naar huis. Juf Jeanet komt binnen. Zij blijft tot de volgende ochtend en slaapt in het wachtkamertje. Ze rijdt de etenskar binnen. Bami met pindasaus, uitjes en zuur. Chocoladevla toe.

De kinderen vertellen over hun schip. Res heet het schip van Liam (7). Het is 86 meter lang, vertelt hij, en ze vervoeren graan en stenen. Zijn geografische kennis strekt zich uit van Krimpen aan de IJssel tot de Neckar. “We zijn ook wel eens in Tsjechië geweest”, laat hij weten. Het schip van Michiel heet Yvonne H, naar zijn oma, het schip van oma en opa heet Yvonne I, en met z'n oma is Michiel naar het bos geweest en daar hebben ze eekhoorntjes gevoerd.

De Mededinger van Odilé haar ouders is 73 meter lang en 1.100 ton zwaar. Ze hebben een huiskamer, drie slaapkamers en een keuken, vertelt ze. “En een stuurhut, natuurlijk”, vult Michiel aan. “Of hebben jullie een pokie?” Roald vaart sinds kort met zijn ouders op een beunschip, de Capella van 85 meter lang. “We laaien bij het sproeibeton in Cuyck en we lossen bij de zuiger in 's Gravendeel.”

Zijn ze wel eens jaloers op de walkinderen? “Varen is leuker”, vindt Odilé. “Anders ben je steeds op dezelfde plek.” Zijn schipperskinderen daarom anders dan walkinderen? “Nee”, zegt ze, “maar op school vallen schipperskinderen er soms buiten.”

VII

Een rustig moment is het bijbellezen meteen na tafel in de zithoek. Er wordt ontspannen geluisterd. Juist als Jeanet over Mozes begint gaat de telefoon. Groningen. De operatie van Riannes vader is voorspoedig verlopen. Het gezicht van Rianne ontspant zich langzaam en even later maakt ze een radslag door de kamer. Niet uitbundig, maar meer om even de spanning van zich af te schudden.

Daarna is het druk in de huiskamer. De grotere meisjes komen thuis van turnen en eten hun warmgemaakte bami. Een stel kinderen is bezig met de afwas. Er wordt ondertussen luidruchtig gesjoeld en voor de kleintjes die al in hun kamerjasjes rondlopen gaat Sesamstraat nog even aan.

In de grote recreatiezaal - IJsselmeer geheten - zitten zo'n twintig zes- en zevenjarigen uit verschillende groepen in pyjamaatjes met knuffels op schoot te luisteren naar Jip en Janneke. In de telefooncel op de gang hangen twee tieners aan de telefoon. Avond op het internaat. 185 kinderen schepen zich in voor de nacht.

    • Michaja Langelaan