Theater zonder masker in Rodoreda's Colometa

Voorstelling: Colometa van Mercè Rodoreda door Theater De Korre. Decor: William Phlips; regie: Bob De Moor; spel: Antje De Boeck. Gezien 14/11 Stadsschouwburg, Blauwe Zaal, Utrecht. Tournee t/m 22/12. Inl.: 020-6264545.

Terwijl ik keek naar de voorstelling Colometa, uitgevoerd door het Vlaamse gezelschap De Korre, moest ik denken aan de woorden van Macbeth, waarmee hij een aangrijpende monoloog begint: 'Nu ben ik alleen.' Zo, helemaal alleen, staat actrice Antje De Boeck op het welhaast lege toneel. Schuin achter haar is een broedschaal voor duiven te zien, omkranst door veren. Vanuit het plafond hangt een kunstwerk omlaag, bestaande uit tientallen, met zand gevulde zakjes.

De Boeck staat de hele voorstelling roerloos, slechts af en toe haar handen en armen op- en neerwaarts bewegend, alsof ze haar vleugels uit wil slaan. In de regie van Bob De Moor brengt ze theater terug tot de essentie: het vertellen van een verhaal. Ze heet Colometa, wat 'Duifje' betekent. Zo genoemd om haar lichtvoetige schoonheid en omdat het huis waarin ze woont gaandeweg door duiven wordt bevolkt. Het begon met twee, en alras hadden ze bezit genomen van alle kamers. De voorstelling geeft ons het portret van een vrouw, intens en gevoelig verbeeld. Haar belevenissen zijn ontleend aan de roman La Plaça del Diamant uit 1962 van de Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda (1909-1983). In dit boek grijpt zij terug op haar jaren als jonge vrouw in de jaren dertig, de tijd van de Spaanse Burgeroorlog. Colometa wordt op een feest uitgenodigd tot een dans en ze wordt op de jongeman, Quimet, verliefd.

Er is nog een andere man in haar leven, maar ze kiest voor degeen die haar, op La Plaça del Diamant, leerde dansen. Haar bestaan volgt een vertrouwde en tegelijk beklemmende lijn: ze trouwen, krijgen kinderen. Dan breekt de Burgeroorlog uit. Haar man moet als soldaat naar het front, waar hij sneuvelt.

Colometa raakt steeds meer vertwijfeld over haar bestaan. Zij en haar kinderen lijden honger, ze kan haar man niet vergeten, heel haar leven is hem toegewijd. Dan overweegt ze iets verschrikkelijks: ze wil haar kinderen doden, niet, zoals Medea, uit jaloezie, maar omdat ze hùn lijden niet langer kan aanzien. We krijgen al haar gruwelijke overwegingen te horen. Ze kan de kinderen geblinddoekt van het balkon gooien, ze kan hun 's nachts, terwijl ze slapen, zoutzuur in de keel gieten.

De voorstelling eindigt met de dubbelzinnig-dreigende vraag: 'Tevreden?' Ze heeft de daad voltrokken, en toch doet ze met de kinderen, wat ze altijd doet: hen even in de navel kietelen en zeggen 'Tingeling!'. Navrant, en schokkend.

Het opmerkelijkst aan de voorstelling is de uitgepuurde stilering. Antje De Boeck spreekt alsof ze aanschuift aan een keukentafel, zacht, zonder enig pathos, wars van elke stemverheffing. Er is geen enkele valse klank in haar emotionaliteit, er is de taal die mooi, melodieus, zingzangt door de zaal.

Terwijl de voorstelling haar einde nadert, doven geleidelijk de theaterlichten. De oprechte, kwetsbare soberheid wordt strak volgehouden - tot in haar uiterste consequentie. Theater zonder masker, ik zou bijna schrijven: theater dat geen theater is. Dat leeft en klopt zonder overdreven aandacht voor de buitenkant. Het bestaat. In alle eenvoud en zuiverheid.

    • Kester Freriks