Potagers

Als je alleen maar verstandige gewassen kweekte zou de moestuin er heel anders uitzien. De mijne staat voortdurend vol onbesliste experimenten met Japanse slasoorten en koolplanten met knolvoet; ze zien er exotisch uit, maar het is nooit precies wat je wilt. Maar waar ik wel altijd plaats voor inruim is de zeer nuttige en smakelijke groente in het Frans des blettes genaamd, Swiss chard in het Engels, vulgo snijbiet.

De eerste keer dat ik het proefde was een paar jaar geleden, toen bevriende moestuinbezitters ons er wat van gaven; je moet ermee op een holletje van de tuin naar de keuken want zodra het geplukt is verwelkt het. Dat is ongetwijfeld de reden dat je het nooit in de winkel ziet - of in elk geval niet in de meer prozaïsche in onze buurt. Nadat ik eens had geschreven dat raket (rucola) niet in de handel was regende het dementi's uit Den Haag en Amsterdam, waar blijkbaar de schappen in de groentewinkels onder de raket bezwijken.

Deze Zwitserse biet is tweejarig. Als je het in de zomer zaait is het dus beschikbaar tot het werkelijk koud wordt, en het begint weer opnieuw in het voorjaar. Het is de gemakkelijkste groente die ik ken: je maakt een geul in de grond, zaait het zo spaarzaam als je kunt, en dat is alles. Die Engelse dames met haar 'potagers' - dat is een nieuw modewoord (niet te verwarren met de gewone Franse term voor moestuin) waarmee een formele, zg. 'sier'moestuin wordt aangeduid, die evenveel zo niet meer denkwerk, arbeid en tijd vergt als de bloementuin - kweken verschillende gekleurde soorten snijbiet, planten ze een voet uit elkaar en maken het allemaal heel decoratief. Ik heb nooit gelezen hoe het is zo'n prachtige aanplant te rooien en op te eten. Ik denk niet dat ze dat ooit doen, te oordelen naar de foto's. Hoe dit ook zij, met snijbiet is alle extra inspanning overbodige moeite; het tiert, zoals de beste groentes bijna allemaal doen, welig als onkruid.

Als je het echt wilt eten heb je geen Zwitsers kookboek nodig. De Italiaanse recepten zijn het best.

Het is bollentijd: niet om te kijken maar om te kopen. Zoals de Amerikaanse tuinier Henry Mitchell nog eens duidelijk maakte kan tuinieren dankzij een creatieve boekhouding een goedkope hobby zijn; je schrijft zorgvuldig op wat je uitgeeft aan per post bestelde bollen, maar laat de vijf bij het verlaten van een dierenwinkel impulsief aangeschafte keizerskronen buiten beschouwing .

Veel van de bollen die we hier kweken - sneeuwklokjes, cyclamen, anemonen, aconieten bijvoorbeeld - zijn inheems in andere delen van Europa, zoals Turkije en Griekenland. In het verleden was het maar al te gemakkelijk om ze in het wild op te graven en hierheen te brengen. Dus het is heel goed mogelijk dat wij, druk bezig onze kinderen voor te lichten over natuurbehoud, zonder het te weten bollen kopen die uit hun natuurlijke omgeving zijn weggeroofd. Hele heuvels in Turkije, eens bedekt met wilde bloemen, zijn verwoest; tientallen miljoenen bollen zijn verhandeld, voornamelijk via Nederland, en nog eens miljoenen eenvoudig weggegooid omdat ze voor de verkoop te klein waren.

Het is een moeilijk te verhinderen negotie, die voor de mensen die de bollen opgraven vaak het enige middel van bestaan vormt. Een eerste stap is de bollenhandelaars zover te krijgen dat zij gekweekte bollen aanbieden, en geen wilde. In het Novembernummer van The Garden, het orgaan van de Royal Horticultural Society, staat een interessant artikel over een project in Turkije, het Indigenous Propagation project. Dit maakt de voormalige stropers tot kwekers; de bollen die ze telen zijn groter en veel minder moeilijk te oogsten dan de wilde, en zo is iedereen tevreden.

In Engeland wordt door Fauna and Flora International een lijst gepubliceerd, de Good Bulb Guide (Great Eastern House, Tenison Road, Cambridge CB1 2DT, tel. 33.1223.461.471), die de namen geeft van firma's die zich verbonden hebben geen wilde bollen te verhandelen, en de herkomst van hun bollen op het etiket te vermelden. Deze ondernemingen worden gecontroleerd om er zeker van te zijn dat zij hun belofte gestand doen. Zoiets hebben wij hier niet (op de Engelse lijst staan nogal wat Nederlands klinkende namen); er is overigens wel vooruitgang geboekt met het stoppen van de export van wilde bollen, die gedaald is van 70 miljoen bollen in 1989 tot 23 miljoen dit jaar. Maar 23 miljoen bollen is nog altijd een heleboel en volgens Fauna and Flora International waren Nederlandse handelaars dit jaar bezig met het verhandelen van zes miljoen wilde sneeuwklokjesbollen uit Georgië.

Zich houden aan gekweekte bollen - kijk naar het etiket - is dus het consigne, hoewel het de bollenrekening wat hoger zal maken. Maar een beetje tuinier weet dat voor zichzelf wel te verdoezelen.

Of probeer eigen bollen te kweken; cyclamen is makkelijk, sneeuwklokjes ook. Deze laatste zijn in feite de snijbieten van het Koninkrijk der Bollen; in mijn tuin verspreiden ze zich nog steeds. Vorige lente heb ik er een flink aantal overgeplant (dat moet gebeuren terwijl ze bloeien) en binnenkort hoop ik te zien hoe ze het gered hebben.

Andere zaailingen zijn bamboe. Vorig jaar om deze tijd begon mijn Fargesia murieliae te bloeien, net als de meeste andere door het hele land; om te zien wat er gebeuren zou heb ik toen een van de bloeiende stengels niet weggehaald. Het bood geen fraaie aanblik maar nu staan er, tot mijn genoegen, een stuk of twintig heel kleine bamboe zaailinkjes omheen als kuikens, genoeg voor een behoorlijk bamboebos. Het opwindende is dat ze, als ze overleven - een essentieel voorbehoud in het tuinieren - de eerstvolgende honderd jaar niet zullen bloeien en afsterven. Dat is als het baren van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen tegelijk: een blik in de eeuwigheid bijna. Overgeleverd aan de voorzienigheid ook, want iemand moet ze tot zolang verzorgen. Het speciale tijdbom-achtige van bamboe is dat je met angst uitziet naar de bloei; maar als het uitzaaien zo gemakkelijk gaat is het toch weer zo erg niet.