Ongenerfd parapluutjesmos

S.R. Gradstein en H.M.H van Melick: De Nederlandse Levermossen en Hauwmossen. Flora en verspreidingsatlas van de Nederlandse Hepaticae en Athoceroticae. Geïll., 366 blz. ISBN 90 5011 089 4.

'EEN KUSSENTJE van mollig mos. Dit zongen de kinderen vroeger. “Vele mossen dienen tot vulsel van kussens voor de mindere klasse”, schreef de botanicus Van Hall, de jongste broer van minister Van Hall onder Koning Willem I. Dit sloeg onder meer op Kussentjesmos, een bepaald soort bladmos.

Want mossen zijn er in soorten: levermossen, bladmossen en korstmossen. Deze groepen hebben allen gemeen dat ze tot de sporenplanten behoren en geen zaad maar hele fijne sporen vormen. Om met de laatste groep te beginnen: de vaak bont gekleurde en daardoor in het oog lopende korstmossen zijn helemaal geen mossen, maar een samenlevingsverband van wieren en schimmels - naar men aanneemt tot wederzijdse tevredenheid.

De echte mossen worden in twee hoofdgroepen onderscheiden: de wat steviger bladmossen met meestal generfde blaadjes die in een spiraal rond de stengel staan en de veel teerder gebouwde levermossen met ongenerfde bladen die zich langs de stengel in twee of drie rijen in een plat vlak uitspreiden. Behalve deze bebladerde levermossen is er ook een aantal soorten waarbij het onderscheid tussen stengel en blad ontbreekt. Er is alleen sprake van een al of niet vertakte groene schijf.

Mossen zijn heel oud en van de meeste hoofdgroepen zijn fossiele voorouders bekend uit het Paleozoïcum zo'n 200 tot 300 miljoen jaar geleden. In zekere zin zijn het 'levende fossielen'. Het van oudsher bekendste levermos is het Parapluutjesmos of het Steenleverkruid zoals het in vroeger eeuwen heette en dat als naamgever optrad van de 126 verschillende Nederlandse soorten. Het groeit aan de voet van vochtige muren of tussen het plaveisel. Het houdt van schaduw en nattigheid. Op de groene lappen verheffen zich talrijke sierlijke sporenhouders die aan parapluutjes doen denken, de vrouwtjes wat groter dan de mannetjes. Nicolas Marchant beschreef het Parapluutjesmos in 1713 en noemde het Marchantia naar zijn in 1678 overleden vader, die directeur was van een adellijke botanische tuin, maar zijn collega's insinueerden dat hij het mos naar zichzelf genoemd had.

De oude naam steenleverkruid ontleende dit mos aan de omtrek van de groene schijf die met enige fantasie aan de vorm van de lever doet denken. Krachtens de oude medicijnleer (signatuurleer) had God overal in de natuur aanwijzingen gegeven omtrent de geneeskrachtige werking van een kruid. In dit geval hielp het Steenleverkruid tegen leverkwalen. Dodonaeus schreef in zijn Cruijdeboeck (1554) dat een gekookt aftreksel niet alleen hielp tegen leverkwalen maar ook tegen bloedaandoeningen en gekookt in wijn of honing was het een probaat middel tegen verkoudheid. Er zullen niet veel mensen meer te vinden zijn die het hiervoor aanwenden. Toch zou het kunnen dat levermossen - want later werd de gehele aan het Parapluutjesmos verwante groep aangeduid met levermossen - stoffen bevatten die farmaceutisch van belang zijn. Vooral de terpenen die opgeslagen liggen in de voor levermossencellen karakteristieke olielichamen hebben een antibiotische werking. Op zich zou het eventuele nut voor de mens niet de enige reden mogen zijn om de biotopen waarin de levermossen voorkomen te ontzien. Zij vormen ook een bron van schoonheid.

In dit verhaal gaat het uitsluitend om levermossen, want onlangs werd in het Milieu Educatie Centrum te Eindhoven het standaardwerk 'De Nederlandse Levermossen en Hauwmossen' ten doop gehouden. Deze flora heeft een bijzondere ontstaansgeschiedenis. Levermossen maken deel uit van de vegetatie en aangezien ook de Nederlandse overheid het internationale verdrag over het handhaven van de biodiversiteit heeft ondertekend, zou verwacht mogen worden dat zij het onderzoek naar alles wat er groeit en bloeit in ons land bevordert. De plaatsen van de mossenkundigen in dienst van universiteiten en openbare herbaria zijn echter door de afgedwongen bezuinigingen de een na de ander verdwenen. Het Informatie- en Kenniscentrum van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij had uit zichzelf een onderzoeksopdracht met betrekking tot een levermosflora dienen te verstrekken. In de omliggende landen is dit niet ongebruikelijk. Aanvankelijk probeerde de Mossen- en Korstmossenwerkgroep subsidie te krijgen om het aanwezige herbarium-materiaal door een professionele mossendeskundige te laten inventariseren en controleren. Daarbij was het de bedoeling om op basis daarvan een flora te maken voorzien van verspreidingskaartjes van alle daarin voorkomende soorten. Tevergeefs. Ook een bij het Anjerfonds gedane aanvraag werd afgewezen.

Het bestuur van de werkgroep die dit jaar een halve eeuw bestaat en 300 leden telt, liet zich daardoor niet uit het veld slaan en besloot het floraproject in hoofdzaak door deskundige vrijwilligers te laten uitvoeren. Een leidend aandeel in het floraproject had Rob Gradstein. Hij heeft een wereldnaam op het terrein van levermossen, maar de Rijksuniversiteit Utrecht schrapte onlangs zijn baan. Nu is hij hoogleraar botanie in Göttingen. Huub van Melick, als amateur eveneens een goed kenner van de levermossen, was de drijvende kracht van het vrijwilligerscollectief. Gradstein en Van Melick hadden reeds eerder samen de tekst verzorgd van de platenatlas van de levermossen waarvoor Koos Landwehr, hovenier van beroep, de prachtige tekeningen had gemaakt. Veel van deze tekeningen aangevuld met nieuwe van de hand van anderen, hebben een plaats gekregen in deze flora.

Deze flora bevat determineersleutels en kort gehouden maar duidelijke soortbeschrijvingen. Verder bevat de flora waardevolle gegevens over de oecologie en gegevens over de verspreiding in en buiten Nederland. De verspreidingskaartjes danken hun betrouwbaarheid eraan dat zij uitsluitend aan de hand van het herbariummateriaal zijn vastgesteld.

De verspreidingskaartjes geven niet slechts een beeld van de plekken waar een soort gevonden is, maar soms ook van waar wel en waar niet intensief gezocht is. De vondsten van voor 1950 en die van daarna worden met verschillende tekens aangegeven waardoor we inzicht krijgen in de voor- of achteruitgang van de soorten, maar daarbij dient bedacht te worden dat na 1950 door meer mensen intensiever en deskundiger naar minder levermossen is gezocht. Deze prachtige flora laat zien wat een vrijwilligerscollectief vermag, maar de minder vrolijke kant is dat de flora tevens documenteert hoezeer ook de levermossen de laatste decennia achteruit zijn gegaan. Van de 15.000 levermossen in de wereld staan er 126 in de flora, maar veel van deze soorten die vroeger niet zeldzaam waren, zijn in recente tijd niet of nauwelijks meer waargenomen.

Oorzaken zijn vooral de verzuring, vermesting en verdroging. Levermossen zijn bij uitstek gevoelig voor uitdroging. Een unieke eigenschap is ook, dat het overwegend haploïde planten zijn met maar één set chromosomen. Hierdoor zijn ze gevoeliger dan zaadplanten voor verstorende invloeden van buitenaf. Van de 126 soorten levermossen zijn er 67 op de in 1992 gepubliceerde 'Rode Lijst van in Nederland verdwenen en bedreigde mossen en korstmossen'.geplaatst. Daarbij dient men te bedenken dat Nederland toch al weinig gastvrij was voor levermossen. 'Het overwegend vlakke Nederland heeft in vergelijking met omringende, reliëf-rijkere landen een betrekkelijk arme levermosflora' lezen we in de flora. Ons land is arm aan beken, watervallen, natte rotswanden en wat dies meer zij. Laten we zuinig zijn op wat ons nog rest, want dat is zeer de moeite waard.

    • Ger Harmsen