Niks Ithaca; Odysseus keerde na zijn zwerftocht terug in Kefallonia

Een 'vermist' Myceens machtscentrum is gevonden. In het licht daarvan moet het thuisland van Odysseus worden gelijkgesteld met het eiland Kefallonia.

HET ARCHEOLOGISCH concept 'Mycene' dateert uit 1868 toen Heinrich Schliemann zijn eerste bezoek aan de gelijknamige plaats bracht. In 1876 groef hij er de beroemde schachtgraven op en borg een schat aan aardewerk, bronzen wapens, juwelen en goud en gouden dodenmaskers. Ervan overtuigd dat Homerus een historische werkelijkheid had beschreven, 'herkende' Schliemann in een van de maskers Agamemnon. Schliemann zou zijn grootste ontdekkingen in één periode blíjven dateren, te weten de dertiende eeuw voor Christus, de eeuw waarin de traditie wil dat zich het beleg van Troje afspeelde. Met minder vooringenomen onderzoek zijn de bij Schliemann begonnen misverstanden inmiddels opgeruimd. De schachtgraven van Mycene, om een voorbeeld te noemen, bleken later uit het midden van de zestiende eeuw v.Chr. te stammen.

Minder vooringenomen onderzoek of niet, de Myceense beschaving blijft archeologen op veel punten door de vingers glippen. Oorzaak hiervan is een betrekkelijke armoede aan gegevens, ondanks schatten als die van Mycene. Om te beginnen zijn de beschikbare archeologische en historische bronnen afkomstig van de Myceense elite (of hebben die tot onderwerp); de maatschappij onder deze toplaag is nog nagenoeg onzichtbaar. Binnen deze beperking is men aangewezen op een paar rijke opgravingen en een handvol paleisstructuren, op het Myceense (cyclopische) muurwerk, wat aardewerk en wapentuig. De historische bronnen over Mycene bestaan grotendeels uit kleitabletten met Lineair-B opschriften. Lineair-B werd in 1952 door Michael Ventris ontcijferd en men hoopte dat de tabletten - zoals eerder met Assyrische en Babylonische het geval was - namen, herleidbare jaartallen en politieke informatie zouden bevatten. Maar er staat paleisadministratie op, hoofdzakelijk de registratie van binnenkomende en uitgaande goederen. Een heel enkele keer komt de Myceense wereld ter sprake in bronnen van buitenaf, onder andere uit Egypte. Het gaat dan over handelszaken, soms over een conflict.

DREIGING

Toch bestaat er een redelijke mate van overeenstemming over het globale verloop van de Myceense beschaving. Het idee dat die uit het Noorden of Oosten afkomstig zou zijn en werd meegebracht door een invasiemacht is verlaten. Lineair-B bleek na ontcijfering een vroege vorm van het Grieks te zijn. Een andere aanwijzing ligt in de ontwikkeling van vorm en versiering van aardewerk: tussen Myceens en voor-Myceens is geen echte breuk te zien. Mycene moet dus worden gezien als een plaatselijke ontwikkeling, waarbij wordt erkend dat het vroege stadium, zo tussen 1700 en 1600 v.Chr., belangrijke invloed onderging van het toen bloeiende Kreta. Myceense nederzettingen waren in de hoogtijdagen van de cultuur te vinden op de hele Peloponnesos, in het oostelijke deel van Griekenland en westkust van Turkije; bovendien op Kreta waar Myceners rond 1400 v.Chr. de lakens uitdeelden. Handelscontacten reikten in het Westen tot Italië, Sardinië en Corsica, in het Oosten tot de Levant en in het zuid-oosten tot diep in Egypte. De voorspoed werd lang gespendeerd aan de paleizen, die de centra waren van de Myceense economie, en aan de graven van de elite.

Na 1200 v.Chr. echter verlegde bijna de hele Myceense wereld het accent van bouwactiviteiten vrij plotseling naar verdedigingswerken. Men voelde kennelijk een dreiging en men had dat goed voorzien. De defensieve inspanningen waren vergeefs. In de loop van de twaalfde en de elfde eeuw v.Chr. werden de meeste Myceense centra verwoest. De moeilijkheden beperkten zich overigens niet tot de Myceners; alle culturen in het oostelijke Mediterrane gebied, inclusief Egypte, kregen er mee te maken. Afgaand op archeologische gegevens moeten de gevolgen vèrstrekkend zijn geweest: culturele neergang op een breed front, wegvallende handelsroutes, een economische collaps en ontvolking van hele streken.

De identiteit van degenen die deze serie rampzaligheden veroorzaakten is nog duister, maar op grond van wapens en van afbeeldingen op Egeïsche en Egyptische reliëfs wijst men de laatste jaren steeds nadrukkelijker naar bevolkingsgroepen in Zuid-Italië, Sicilië, Sardinië en mogelijk Corsica. Hoe dat ook zij, de Myceense beschaving zou deze klap niet meer te boven komen en de archeologie laat dan in Griekenland een paar Donkere Eeuwen beginnen.

Archeologisch onderzoek heeft ook uitgewezen dat de meest westelijke rand van de Myceense wereld werd gevormd door de Ionische eilanden Lefkas, Ithaca, Kefallonia en Zakinthos. De vondsten gaven tot voor kort echter geen uitsluitsel over het bestaan en de locatie van een Ionisch Myceens machtscentrum. Een opmerkelijke leemte, want de regio was daarvoor economisch belangrijk genoeg. Door ontdekkingen in zuidoost-Kefallonia lijkt dit gat in het archeologische bestand nu definitief opgevuld. Kefallonia is een grillig gevormd eiland met baaien, verscholen inhammen, kiezelstranden en rotskusten en licht glooiend en bergachtig landschap. De Kefallonische Enos Oros is met zijn 1628 meter de hoogste top in het hele Ionische gebied.

Vanaf het einde van de vorige eeuw hebben reizigers regelmatig melding gemaakt van oudheidkundige resten in het zuidelijke deel van het eiland. Een aantal van deze plekken werd in de loop van de tijd onderzocht. Het bleek daarbij vaak om Myceense overblijfselen te gaan. Onder meer om begraafplaatsen (onder andere bij Mavrata en Mazarakata), om heiligdommen waarvan er één zich hoog op de hellingen van de Enos bevindt en een ander aan het strand in de buurt van Skala, en om een vesting bovenop een heuveltop met de naam Paliokastro (Oud Kasteel). Meer recent kwam daar een aanlegplaats voor schepen bij in het havenstadje Poros.

Moeras

Men deed deze ontdekking bij het uitgraven en dempen van een klein moeras dat een eindje landinwaarts lag langs een kloof die bekend staat als het Nauw van Poros. Poros zelf ligt midden voor de kloof, een doorgang tussen de bergen Atros en Pachni. Niemand die ooit enige aandacht had geschonken aan de rechthoekig gekapte stenen die overal op de hellingen van de Pachni lagen. Tot lokale amateur-archeologen met succes op een archeologisch survey aandrongen. Daarbij werden achtereenvolgens ontdekt: drie kilometer cyclopisch muurwerk, een Myceense nederzetting op een heuvelplateau voor de Pachni (de Pastra) en een citadel op de top van de Pachni zelf. Nederzetting en citadel bleken vanaf hun Myceense oorsprong bewoond te zijn geweest en tot in de Romeinse Tijd onderhouden en verbouwd (en daarna weer gesloopt door aardbevingen). Bij de recente vondsten horen opnieuw een Myceense begraafplaats, nu in de heuvels tussen Poros en Skala. Verder een stuk ceramiek waarop dansende nimfen te zien zijn en een beeldje van de god Panas. Het zijn waarschijnlijk wijgeschenken en ze werden door de Griekse archeoloog Spiros Marinatos aangetroffen in de grot van Melissani.

Als laatste en meest spectaculaire ontdekking is er dan nog het vorstengraf bij het plaatsje Tzannata. Het is een koepelgraf (tholos) met een doorsnee van ongeveer zeven meter en een hoogte die waarschijnlijk een meter of acht was (het dak is ingestort). Onder de koepel waren een hoofdgraf en enkele bijgraven aangelegd. Grafrovers zijn de archeologen voor geweest, maar op de bodem van de graven werden nog enkele bijzondere vondsten gedaan. Daaronder een kleine gouden dubbele bijl, een van oorsprong Kretenzisch symbool dat de combinatie van wereldlijke en geestelijke macht voorstelt en het attribuut is van een wanax, een priester-koning. Naast de toegang tot de tholos werd een rechthoekige structuur aangetroffen met een bodem van grind. Deze grindlaag bedekte de schedels van zeventig mensen. Het ommuurde grafcomplex met inderdaad een koninklijke allure, zal tussen 1400 en 1350 v.Chr. zijn aangelegd en is tot ongeveer 1100 v.Chr. in gebruik geweest.

Scheepsbewegingen

De veronderstelling dat zuidoost-Kefallonia het ontbrekende Myceense machtscentrum moet zijn geweest, wordt nog versterkt als de geografie van West-Griekenland bij de archeologische gegevens wordt betrokken. Een enkele blik op de kaart leert dat dit deel van het eiland strategisch zéér belangrijk was. Het ligt recht tegenover de Golf van Patras, aan een kruispunt van belangrijke scheepvaartroutes. Deze ligging, en heuveltoppen zoals de Pachni, de iets zuidelijker gelegen Piërovouni en de berg Enos boden ideale mogelijkheden om alle scheepsbewegingen in de wateren rondom te controleren.

Myceense vondsten in en rond de Ionische Zee zijn als regel aanleiding voor de bewering dat eindelijk het Homerische Ithaca is gevonden. Zo ook hier. De claim is geformuleerd door het op Kefallonia woonachtige Grieks-Nederlandse echtpaar Metaxas. Als verwoede amateur-archeologen zijn zij de motor geweest achter een groot deel van de recente vondsten en achter de huidige archeologische aandacht voor dit terrein. De Metaxas' gaan uit van het standpunt dat Homerus in de achtste eeuw v.Chr. het eindpunt was van een traditie die verhaalde van een historische werkelijkheid, waarin historische figuren historische daden verrichtten; bovendien dat het huidige Ithaca niet het Homerische land van Odysseus is. Hun argumentatie loopt in hoofdlijnen als volgt.

Uit onder meer de 'lijst van schepen' in de Ilias en woorden die Homerus op een aantal plaatsen in de Odyssee Odysseus en diens zoon Telemachus in de mond legde, is duidelijk dat het Homerische Ithaca zich in de buurt bevond van onder meer Zakinthos, Kefallonia, Doulichion, Same en Samos (Homerus sprak van Same en Samos en bedoelde ook twee verschillende gebieden). Verder lag tegenover Ithaca zowel land als een groepje eilanden voor een rivier.

De identificatie van die gebieden is een kwestie van beredeneerd afvinken. Geen probleem geven Zakinthos en Kefallonia, zij dragen nog steeds de naam die ze bij Homerus al hadden. Doulichion heet thans Paliki en is de westelijke, glooiende landtong van Kefallonia. De Griek Pausanias noteerde in de tweede eeuw na Christus dat de inwoners van Paliki ooit Doulichiërs werden genoemd. In bijna alle Homerus-vertalingen staat dat Doulichion een eiland zou zijn, terwijl Paliki dat niet is. Hier moet worden bedacht dat de Griekse taal pas in de derde eeuw v.Chr. een onderscheid maakte tussen eiland en schiereiland. Iets dergelijks geldt voor Same. Same is het gebied van de noordelijke landtong, het huidige Erissos. Een kaap in het Zuiden van de Samis Baai wordt nu Antisamos genoemd, wat 'tegenover Samos' betekent. Zulke 'gekoppelde' benamingen komen in Griekenland vaak voor (Paxi en Antipaxi, Kithira en Antikithira enzovoort). Tegenover Antisamos moet daarom een Samos liggen. Dit eiland Samos draagt tegenwoordig de naam Ithaca, nadat het ooit Samos van Ithaca heette. Het kent nog steeds een gebied met de naam Samikon.

In de omgeving van Ithaca situeerde Homerus ook Krokyleia en Aegilips. Zij zijn voor de argumentatie van minder belang, maar kunnen evengoed worden gelokaliseerd. Krokyleia lag zuidelijk in Erissos, meer precies bij de berg Kalon. In het boek van het Latijnse Episcopaat uit 1264 staat deze streek onder die naam vermeld. Aegilips moet tegen de noordoostelijke hellingen van het Enos-massief hebben gelegen op een plek die bekend stond als Kataracho. Dit laatste betekent hetzelfde als Aegilips, namelijk 'steile rotsen' of 'geitengebied'. Zo is dan zuidoost-Kefallonia overgebleven als locatie voor het Homerische Ithaca. Het land daartegenover is de noordwestelijke Peloponnesos, Elis in Ilias en Odyssee.

BRONNEN

Voor deze identificatie pleiten voorts landschappelijke kenmerken en andere elementen die zuidoost-Kefallonia bezit en die door Homerus worden beschreven. Waterrijkdom uit een grote hoeveelheid bronnen, om er een te noemen. In het huidige Ithaca is nooit zoet water te vinden geweest. De Kefallonische Enos, het hoogste punt in het Ionische gebied, en het oude gedempte haventje van Poros zijn de enige kandidaten voor respectievelijk de berg die bij Homerus Neriton heet en de Rheitron-haven (de berg Niriton van het huidige Ithaca valt volledig in het niet bij de Enos Oros die sinds mensenheugenis dienst doet als baken voor de regionale scheepvaart).

Betekenisvolle toponiemen zijn ook voorhanden, aldus nog steeds het echtpaar Metaxas. Een voorbeeld. In een terrein bekend als Koronis, Ravengebied, verheft zich een rotspartij met de naam Kontilas, wat vertaald mag worden in 'ravenkoepel'. Vlakbij de Kontilas bevindt zich een bron. Homerus schreef dat de godin Athene de bijna thuisgekomen Odysseus bij de Grot der Nimfen op pad stuurt naar Eumaeus die zijn zwijnen hoedt bij de Ravenrots en de Arethusa bron (Boek 13). Diezelfde Grot der Nimfen aan de Phorkys Baai, een plek waar Odysseus offers placht te brengen, moet de Melissani-grot bij Sami aan de Samis Baai zijn. Het dak van deze grot kwam 40.000 jaar geleden naar beneden, waarmee de ingang voor de goden tot stand kwam.

Ten slotte is ook de locatie van Asteris geen probleem meer. Asteris was het eiland waar de Vrijers een hinderlaag voor Telemachos legden toen hij hulp zocht in Pylos en Sparta. Bij Homerus ligt Asteris in de Thoës-eilanden (de Puntige Eilanden) die zich net als Elis tegenover Ithaca bevinden. Ze maken tegenwoordig deel uit van de Echinaden-groep, noordwestelijk in de Golf van Patras. De positie van Asteris wordt meestal vertaald als liggend tussen Ithaca en Samos. Maar Homerus gebruikte een term die ook kan worden opgevat als 'op gelijke afstand van'. Dat is iets heel anders. Een eilandje dat nu Oxia wordt genoemd, beantwoordt aan Homerus' beschrijving, is groot genoeg om een flink aantal mensen een tijd te herbergen en ligt op precies 18 mijl van zowel Kefallonia als (het tegenwoordige) Ithaca.

Dat Oxia Asteris kan zijn geweest is ook nautisch verdedigbaar. Negentig procent van de tijd waait de wind in dit gebied uit het Noorden. Wie uit het Zuiden naar Kefallonia zeilt, moet normaal gesproken de noordwestelijke kust van de Peleponnesos volgen, de Golf van Patras oversteken richting Oxia en kan vandaar een westelijke koers aanhouden. De Vrijers konden er dus zo goed als zeker van zijn dat Telemachus langs dit punt moest komen. Maar de godin Athene gaf hem een gunstige zuidenwind zodat hij de oversteek rechtstreeks kon maken en ongezien door de Vrijers in Ithaca (dus zuidoost-Kefallonia) aan land kwam.

Tot zover de Metaxas'.

Het was met name M.I. Finley die in 1951 met zijn boek The World of Odysseus een streep probeerde te zetten onder pogingen in de werkelijkheid van vandaag de overblijfselen van de Homerische mythen te betrappen. Voor Finley zijn Ilias en Odyssee op z'n best in de kern echo's van onbekende historische gebeurtenissen. Gebeurtenissen waaraan door vertellers in de loop van verscheidene eeuwen werd geknutseld en gekneed, en al naar gelang de mode van het ogenblik oude dingen weggelaten en nieuwe zaken toegevoegd. Homerus was het culminatiepunt in de wordingsgeschiedenis van deze verhalen. De dichter zou daarom ook een onsamenhangend beeld hebben gehad van de wereld waarin ze zich moesten afspelen, aldus Finley. Hij illustreerde dit door, met de archeologische perioden-indeling in de hand, aan te wijzen waar Homerus gebruiken en elementen van de materiële cultuur uit de eeuw waarin hij zelf leefde, waarschijnlijk de achtste eeuw v.Chr., projecteerde op het (Myceense) verleden.

Poëzie

Finley's conclusies vormden de basis van de gangbare, afwijzende houding van de historische wetenschap over een mogelijk werkelijkheidsgehalte van Homerus' poëzie. Die houding staat lijnrecht tegenover de opvattingen van de Metaxas'. Maar op Finley's stellingname valt toch wel iets af te dingen. In de eerste plaats is het een vraag in hoeverre een archeologische perioden-indeling uitsluitsel kan geven over de historische betrouwbaarheid van een tekst. Archeologische tijdvak-indelingen drijven op kunstmatige scheidslijnen, het zijn constructies, maar ze zijn nooit waterdicht.

In de tweede plaats gaat onder dit standpunt een generalisering schuil waar een probleem aan vastzit. In Ilias en Odyssee schilderde Homerus een decor voor de belevenissen van zijn dramatis personae: goden, helden en mensen. Dat decor bestaat uit een historisch en een geografisch deel. Bij Finley speelt dit onderscheid nauwelijks een rol, met het gevolg dat het oordeel van onbetrouwbaarheid, opgehangen aan het historische decor, ook het geografische decor treft. Die implicatie nu biedt ruimte voor twijfel. De achtergrond van deze twijfel kan simpel worden verwoord: wie zijn toehoorders een verhaal vertelt dat zich ooit in hun wereld afspeelde, doet er goed aan, wil hij niet worden uitgefloten, die wereld accuraat neer te zetten. Alleen waar het verhaal de held over de rand van de bekende wereld stuurt, kan de verteller zich alles veroorloven. In dit perspectief zou de geografie weleens het oudste en meest bestendige deel van Ilias en Odyssee kunnen zijn.

Met andere woorden: in de ogenschijnlijk onoverbrugbare tegenstelling tussen het standpunt dat Homerus pure fictie dichtte aan de ene kant, en dat hij een werkelijkheid beschreef aan de andere kant, kan de mogelijkheid van een compromis zeker niet worden uitgesloten. Beziet men Ilias en Odyssee in het licht van dat compromis, dan hebben de Metaxas', ondersteund door archeologische vondsten, een claim geformuleerd waar moeilijk overheen te bieden zijn zal.

    • Theo Holleman