Na barre tocht volgt in Rwanda de chaos

GISENYI/GOMA, 16 NOV. Apocalyps Rwanda. Vierhonderdduizend Hutu-vluchtelingen trekken als een kudde zwarte schapen door de nacht. Het regent pijpestelen, het bliksemt.

La Petite Barrière, de grens tussen Zaïre en Rwanda is tijdelijk opgeheven om de massa door te laten. Een onafgebroken stroom van menselijke ellende gaat voorbij. Door modderpoelen, over stenen. Mensen in lompen, hun hele hebben en houden op hun hoofd. De zure geur van weken lang ongewassen lichamen. Wanhopige kreten van kinderen die hun ouders kwijt zijn, vaders en moeders zoeken hun kroost.

De mensen zijn afkomstig uit het voormalige vluchtelingenkamp Mugunga, dat gisteren na een isolement van weken en na zware gevechten tussen Zaïrese rebellen en Hutu-milities openging.

Pasteur Bizimungu, de Hutu-president van Rwanda, was eerder op de dag persoonlijk naar de grens gekomen om de vluchtelingen te verwelkomen. Hij sprak van “een grote dag voor Rwanda”. De president acht de internationale vredesmacht, die vooral was bedoeld om Mugunga te onzetten, niet meer nodig nu het kamp is ontruimd.

“Ik ben zo moe”, verzucht een man die bijna in elkaar zakt van de bagage op zijn hoofd, “help me alstublieft”. Hij heeft net als andere anderen een tocht van twaalf kilometer afgelegd over paden en knollenvelden. Een klein meisje wil graag verder op mijn rug. “Goodmorning”, zegt een jongen. Hij is zijn dagritme volledig kwijt. De jongen heet Ildenphonse, zegt-ie. Ildenphonse is vijftien jaar en houdt de moed er in ondanks het grote bos hout dat hij moet torsen. Hij is zijn hele familie in het gedrang kwijtgeraakt.

Door de lange rijen klinkt aan een stuk door het gehuil van duizenden baby's. Maria (24), moeder van een kind dat ze met zich meezeult, zegt blij te zijn eindelijk het kamp te hebben kunnen verlaten. “De situatie was ondraaglijk geworden. De laatste vijf dagen hadden we in het geheel niets meer te eten.” Ze zegt dat de Hutu-milities, de Interahamwe, hen in het kamp steeds voorhielden dat er nog oorlog was in Rwanda en dat zij daarom niet konden terugkeren. Zij ziet schijnwerpers in de verte. Daar zal wel iets van haar gading zijn, “Nog een klein stukje”, roept ze. “Op naar het licht”.

De teruggekeerde Hutu's strijken uiteindelijk neer op een groot rommelig terrein, een paar kilometer over de Rwandese grens waar een provisorisch kamp Umubano (Vrienschap) is ingericht. Er staan maar een paar tenten. Het overgrote deel van de Hutu's gaat zitten en liggen in het natte gras en beschermt zich met zelf meegenomen stukken plastic tegen de neergutsende regen. Elke denkbare internationale hulporganisatie van de Verenigde Naties, particulier of uitgestuurd door een willekeurige overheid, was de afgelopen tijd in Rwanda neergestreken om de verwachte grote stroom vluchtelingen op te vangen.

Maar nu het zo ver is, loopt het volledig uit de hand. De vloed terugkerende vluchtelingen is niet meer te stoppen en de opvang faalt; ze lopen de hulpverleners bijna onder de voet. “We kunnen alles aan, we kunnen alles aan. Daar zijn we hier voor”, roept een oververhitte Duitse medewerker van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR) van de Verenigde Naties. “Als er maar geen paniek uitbreekt”. Maar zijn Japanse collega van UNICEF kijkt triest. “We zijn overrompeld. Vannacht kunnen we niets meer doen”.

De Tutsi-autoriteiten van Rwanda blijken daarentegen veel beter op hun taak voorbereid. Met megafoons schreeuwen tientallen leden van een Tutsi-ordedienst de Hutu's in het gelid. Waar ze naar toe moeten, dat ze hun kinderen niet uit het oog moeten verliezen en dat alles goed zal komen. Het contrast tussen de goedgeklede weldoorvoede Tutsi's en de Hutu-repatrianten is groot.

“Hé, een blanke vluchteling”, zegt een van de Tutsi-begeleiders als ze mij ontwaart. De stemming onder de Tutsi's is ronduit jolig. De menselijke ellende die aan hun langs trekt maakt geen indruk. Zij zien de terugkeer van de Hutu's als een grote morele zege. De afgelopen dagen kwamen telkens al kleine groepjes vluchtelingen over de grens, die consciëntieus door de autoriteiten werden gecontroleerd. Daarvan kan bij deze drommen voorlopig geen sprake zijn maar dat zal zeker nog komen. Het toegangspad naar het nieuwe kamp is hermetisch van Gisenyi afgesloten.

Ook in het stadje zelf is de militaire aanwezigheid fors opgevoerd. De ware toedracht van de gebeurtenissen van de afgelopen dagen in Mugunga wordt aan de hand van de verklaringen van vluchtelingen steeds duidelijker. Verscheidene repatrianten zeiden dat het Rwandese leger persoonlijk heeft ingegrepen in Mugunga om af te rekenen met de Interahamwe, de hoofdverantwoordelijken voor de genocide op de Tutsi's in 1994. Een deel van de milities zou zijn gedood, andere militieleden zouden dieper westwaarts Zaïre zijn ingevlucht. Deze lezing is niet door andere bronnen bevestigd.

Het Rwandese bewind heeft steeds ontkend iets met de rebellie in Oost-Zaïre te maken te hebben en evenmin met de acties tegen de Interahamwe. Dit zou uitsluitend het werk zijn van de Banyamilenges (Tutsi's die al tweehonderd jaar in Zaïre wonen) in samenwerking met Zaïrese Faksi's die zijn gericht tegen president Mobutu. De Rwandese Bizimungu herhaalde deze lezing gisteren nog eens. Zowel in Kigali als in het grensgebied betwijfelen waarnemers de juistheid hiervan.

Het huidige Rwandees regime dat hoofdzakelijk uit Tutsi's bestaat, had alle belang bij het uitschakelen van de Interahamwe. De grens met Zaïre is al jaren fluïde. Het zal een kleine moeite zijn Rwandese eenheden in te zetten.