Mensenrechten

“EEN MENSENRECHTENBELEID betekent problemen”, verzuchtte ooit een onderminister van het Amerikaanse departement van buitenlandse zaken. Minister Van Mierlo (Buitenlandse zaken) kan het hem nazeggen. Deze week werd hij bij de behandeling van zijn begroting door de regeringspartij PvdA en de oppositiepartij CDA onder vuur genomen wegens zijn inzet op dit gebied.

Dat is een serieus verwijt. Zeventien jaar geleden karakteriseerde de regering de rechten van de mens als “een wezenlijk bestanddeel”, ja zelfs als “een van de belangrijkste doeleinden” van onze buitenlandse poltiek. Dat was in de nota Rechten van de mens in het buitenlands beleid die ook na de recente herijkingsoperatie geldt als een richtinggevend document.

Daarop richt de kritiek zich dan ook niet. De klacht is dat Van Mierlo de fundamentele rechten en waarden te weinig “zichtbaar” uitdraagt. De minister heeft daaraan zelf enigszins bijgedragen met een ontboezeming dat het hem niet altijd makkelijk valt gevoelige mensenrechtenkwesties aan te snijden bij buitenlandse gastheren - of daarop in de Kamer te tamboereren. Zijn verweer is dat met stille diplomatie vaak meer valt te bereiken dan met opdringerig vertoon. Bovendien verdient gezamenlijke actie, met name in het kader van de Europese Unie, de voorkeur boven een Nederlandse Alleingang. En daar zit ook wat in, zeker nu Van Mierlo's naaste collega Pronk de grote verklaringen niet uit de weg gaat.

Het argument dat Nederland zich niet in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen mag mengen, gaat niet op als de rechten van de mens in geding zijn. Deze hebben een universele gelding en zijn een zaak die allen, ongeacht de grenzen, aangaat. Maar de regering waarschuwde in 1979 al dat zij niet de allesoverheersende doelstelling van ons buitenlands beleid kunnen zijn. Mensenrechten moeten steeds in verband worden gebracht met de bevordering van andere waarden en belangen. Zoals veiligheidsbelangen en ook economische belangen, die volgens sommigen op het ogenblik de Nederlandse inzet voor de internationale rechtsorde dreigen te dimmen.

Deze laatste tegenstelling gaat alleen al niet op omdat economische betrekkingen, zeker in het geval van grootmachten als China, tegelijk een breekijzer vormen. Mensenrechten zijn belangrijk, maar we kunnen geen strategie voor na de Koude Oorlog construeren rond de problemen van verwaarloosde wezen, dappere dissidenten en uitgebuite arbeiders, zei de hoofdredacteur van het blad Foreign Affairs eerder dit jaar over de Amerikaans-Chinese betrekkingen.

EEN DEEL VAN het ongenoegen over Van Mierlo is zeker te verklaren uit de moeite die hij heeft met het formuleren van een 'grand design'. Mensenrechten vormen in de politieke praktijk bovendien bij uitstek het raakvlak tussen buitenlandse en binnenlandse politiek. Maar er is een niet onbelangrijk verschil. Politiek heet de kunst van het mogelijke, maar buitenlandse politiek is niet zonder reden “de kunst van het onmogelijke” genoemd. Staten beschikken in het onderling verkeer nu eenmaal niet over de machtsmiddelen die zij voor intern gebruik als vanzelfsprekend beschouwen.

Beter dan aangebrand te reageren had Van Mierlo, met zijn grote ervaring op het Binnenhof, deze gelegenheid kunnen aangrijpen voor een geduldige uitleg van de kneepjes van zijn speciale vak.