Hoe Het Parool de monarchie redde

In 1956 ontstond een rel rond paleis Soestdijk met in de hoofdrol de gebedsgenezeres Greet Hofmans, een vertrouwelinge van koningin Juliana. Volgens het Duitse weekblad Der Spiegel bemoeide zij zich met de staatszaken.

In de onlangs door Mulder en Koedijk gepubliceerde geschiedenis van Het Parool trof Harry van Wijnen nieuw materiaal aan dat ander licht werpt op deze kwestie.

Een groot deel van de Nederlandse media was allang voordat de Greet Hofmans-affaire in de zomer van 1956 explodeerde nauwkeurig op de hoogte van de pacifistische séances die onder koninklijke bescherming op het Apeldoornse paleisje Het Oude Loo werden gehouden, maar in het 'algemeen belang' deden ze er jarenlang gezamenlijk het zwijgen toe.

De enige uitzonderingen waren Het Parool (onafhankelijk socialistisch), waarin in 1952 gematigd-kritische commentaren verschenen over het hoge Krishnamurti-gehalte van de redevoeringen die koningin Juliana in Amerika had gehouden, en De Waarheid (commmunistisch), die zich vooral in 1956 geducht roerde en een samenzwering tegen Juliana signaleerde, die op loos alarm bleek te berusten.

Dezelfde passiviteit beheerste jarenlang het Binnenhof. De fractievoorzitters in de Tweede Kamer waren niet onkundig van wat zich op Soestdijk afspeelde, maar niemand voelde zich geroepen het conflict in het openbaar aan de orde te stellen. In gemeenschappelijk overleg verkozen ze de oplossing aan de discretie van de minister-president over te laten. En dr. Drees oordeelde het geen aangelegenheid van staat, maar een particuliere kwestie die geen inmenging van de regering toeliet.

Voor Drees ging het om niet meer dan een huwelijkscrisis, waarin hij voor zichzelf geen interveniërende of verzoenende rol zag weggelegd. Dat die crisis niet werd aangeblazen door de aan het hof inwonende Greet Hofmans (die daar was binnengehaald om de ogen van prinses Marijke te helen), maar door de stokebrand I.G. van Maasdijk, die wel degelijk staatkundige ambities koesterde, ontging hem geheel.

Maar er was één politicus wie dat niet ontging. Die ging zelf op onderzoek uit en ontdekte heel wat meer dan particuliere ongenoegens achter de rododendrons van Soestdijk. Het Tweede-Kamerlid Frans Goedhart (PvdA) ontpopte zich vanaf het begin van het hofconflict tot een detective, die in zijn eentje meer inlichtingen aan het licht bracht dan alle journalisten en fractievoorzitters bij elkaar. Met die journalisten en fractievoorzitters deelde hij overigens het standpunt, dat het conflict op het paleis geen zaak voor de openbaarheid was.

Goedhart stond in directe verbinding met een vertrouwelijke bron aan het hof en wist daardoor meer dan de meeste ministers, die in de regel over de zaken van het paleis onwetend werden gehouden. De minister van Sociale Zaken Ko Suurhoff, een partijgenoot, vroeg Goedhart waar hij al die inside informatie toch vandaan haalde. Waarop Goedhart antwoordde: “Dat hoor ik in een cafeetje.” Toen de minister informeerde waar het adres van dat cafeetje was, gaf Goedhart hem ten antwoord: “Dan moet jij eens wat minder in die snoepwinkel van je blijven zitten en wat meer aan algemeen kabinetsbeleid doen.” Veel zou dat Suurhoff waarschijnlijk niet hebben geholpen, want voor Drees was 'de affaire' geen kabinetszaak en ministers die desondanks aanhielden, werden steevast afgescheept.

Zoals de meeste parlementariërs uit die jaren, verenigde Goedhart het politieke ambt met een maatschappelijke betrekking. Hij was journalist en Kamerlid, en in beide hoedanigheden was hij een bijzondere figuur. Hij was een invloedrijk commentaarschrijver in Het Parool, waarin hij nog eens een aparte positie innam doordat hij de krant in het oorlogsjaar 1940 had opgericht en onder de Duitse bezetting een eminente rol in de ondergrondse journalistiek had gespeeld.

In de Tweede Kamer oefende hij vooral op de achtergrond grote invloed uit. Hij liep niet met zijn netwerk van politieke en ambtelijke relaties in Washington te koop, maar zijn fractiegenoten wisten dat hij een gemakkelijke entree had in de Amerikaanse hoofdstad en voor zijn Amerikaanse vrienden als informatiepunt (maar vooral als tipgever van de CIA) in Nederland fungeerde.

Goedhart had niet op grond van monarchale sympathieën bijzondere belangstelling voor het conflict aan het hof. Met de monarchie had hij weinig op en met het Koninklijk Huis evenmin. Hij was maar om één ding bezorgd: om de politieke reputatie van Nederland in het internationale bondgenootschap. Goedhart was bang dat de filosofische redevoeringen die koningin Juliana in '52 op haar tournee door de Verenigde Staten hield, in Washington de indruk zouden wekken dat de Nederlandse regering niet helemaal meer met de benen op de grond stond.

Goedhart had zich in zijn commentaren sarcastisch uitgelaten over de antimilitaristische gedachten die de koningin - zeer tegen de zin van de minister van Buitenlandse Zaken Dirk Stikker - in haar redevoeringen had uitgedragen. “Soms vond men in deze speeches min of meer wijsgerige passages waarvan een nuchter mens moeilijk de zin kan vatten, zodat men de vraag bij zichzelf voelt opkomen of onze ministerraad wellicht eerst enige dagen in contemplatie verzonken is geweest, alvorens men tot vaststelling van de teksten kon overgaan”, schreef hij in Het Parool, onder de kop: 'A queer country'.

Stikker had eveneens problemen met de pacifistische toon van de koninklijke redevoeringen, maar hij mocht zijn gemoed niet publiekelijk luchten, omdat hij gehouden was de eenheid van de kroon te bewaken. Hij overwoog inderdaad af te treden, maar liet zich overhalen en schikte zich in zijn lot.

Goedhart kon in Het Parool stoom afblazen, eerst nog ingekleed in spot, maar allengs met grotere verontrusting. In een brief aan zijn vriend prof. Jan Barents typeerde hij het koninklijke “quasi-filosofische” taalgebruik als “een scheutje Nehru, een beetje Derde Weg en een tikje pacifisme”, dat alles gepresenteerd in de vorm van een meisjesopstel uit de hoogste klas van het vrijzinnig-christelijk lyceum.

Maar in een brief aan zijn fractievoorzitter mr. L.A. Donker signaleerde Goedhart niet minder dan “het begin van een potentiële koningskwestie in Nederland” (hij schreef dit nauwelijks twee jaar nadat de slepende Belgische koningskwestie was beslecht). Goedhart voorzag die eventualiteit op grond van “de nogal ongewone geestesgesteldheid” van de koningin, zoals die uit haar Amerikaanse redevoeringen bleek.

De sleutel in Juliana's 'pacifisme' die voor Goedhart de steen des aanstoots was, was haar weerzin tegen het maken van een keuze in de Oost-Westtegenstelling. De koningin noemde dat “een acute keus tussen twee extremen”, wat bij de NAVO-getrouwe socialist Goedhart de verdenking wekte dat de Westerse democratie en de dictatuur in Moskou door de Nederlandse vorstin over één kam werden geschoren. Goedhart meende dat Juliana er inderdaad “pacifistische en antimilitaristische denkbeelden op nahield”, die hij toeschreef aan “enige dames in haar omgeving”.

Gerard Mulder en Paul Koedijk, de auteurs van de Geschiedenis van het naoorlogse Parool, die veel materiaal hebben ontleend aan het nog niet eerder opengestelde archief-Goedhart, betwijfelen of de bedoelde dames (Hofmans voorop) wel zoveel invloed op de opvattingen van koningin Juliana hebben gehad als wel is aangenomen. Hun analyse van alle tot nu toe beschikbare stukken leidt tot de onontkoombare conclusie, dat het conflict aan het hof geen politieke achtergrond heeft gehad.

Pikant is een door Mulder en Koedijk aangehaalde brief aan Donker, waarin Goedhart in 1952 uiting geeft aan zijn twijfel of Drees koningin Juliana nog wel in de hand heeft. Minister Stikker is het al niet gelukt om de koningin te beteugelen, maar partijgenoot Drees heeft al evenmin een sterke hand getoond. Goedhart voorspelt dat we straks de poppen aan het dansen krijgen als Drees zich nog meer kaas van het brood laat eten en bindt Donker op het hart na de komende verkiezingen (juni '52) een sterk kabinet te formeren - “met een premier die krachtig en doortastend genoeg is om het staatshoofd te bedwingen”. De auteurs hebben kennelijk niet kunnen ontcijferen welk alternatief voor Vader Drees Goedhart op het oog had.

Uit het archief-Goedhart hebben de schrijvers van de Parool-geschiedenis ook een aantal niet te versmaden terzijdes opgedolven, zoals Juliana's bezwaren tegen het sinterklaas-spelen met koninklijke onderscheidingen, waarmee de regering in het buitenland kwistig rondstrooide om buitenlandse politici voor Nederlandse politieke karretjes te spannen. Juliana wilde daaraan niet meewerken, omdat ze dat “vileine omkoperij” vond.

Even grote bezwaren had ze tegen het gebruik van de zogenoemde 'geheime fondsen', waaruit geput werd om smeergelden te betalen aan buitenlandse opdrachtgevers van het Nederlandse bedrijfsleven. De koningin verachtte die omkooppraktijken, aldus Goedhart.

Het gedeelte over de Hofmans-affaire in de Parool-geschiedenis (dat een prominente plaats in hun boek inneemt, omdat de krant in 1956 mede een rol speelde in het onschadelijk maken van de bom die onder de hofhouding lag), verschaft tal van feiten die in eerdere publicaties over deze crisis aan het hof óf maar half óf helemaal niet voorkomen.

Mulder en Koedijk geven een onderhoudende versie van die episode, waarin ze zowel de Sherlock Holmes als de Raspoetin die in het stuk optreden het volle pond geven. Goedhart is de intelligente en vasthoudende Holmes, die sporen natrekt en die van de kleinste legpuzzelstukjes, die zijn relaties aan het hof hem toespelen, gebruikmaakt om de dader te ontmaskeren (en en passant de complottheorie van de schrijver Wim Klinkenberg ontzenuwt).

Niet Greet Hofmans, maar Van Maasdijk blijkt de Raspoetin in het verhaal te zijn. Hij loopt aan de hand van Goedharts daderprofiel met open ogen tegen de lamp. De geschiedenis is bekend dat Van Maasdijk als intrigant door de mand viel en door Parool-verslaggever Friso Endt op heterdaad werd betrapt als de valse informant van een Engelse verslaggever die in de Sunday Pictorial een indianenverhaal lanceerde over een op handen zijnde staatsgreep, die door een coalitie van prins Bernhard en enkele ministers op kasteel Warmelo (waar de moeder van de prins woonde) zou zijn beraamd.

Minder bekend is de loftuiting die Parool-directeur drs. W. van Norden jaren later uit de mond van de prins mocht incasseren, omdat zijn krant in 1956 Van Maasdijk als de aartsintrigant in de Hofmans-affaire had aangewezen, een onthulling die voor de koningin de aanleiding werd om zich van haar vroegere vertrouweling te ontdoen: “Mijnheer Van Norden, uw Parool heeft de monarchie gered.”

    • Harry van Wijnen