Het sociale levensonderhoud

“Werk is nodig voor het sociale levensonderhoud.” Ik kwam deze uitspraak onlangs tegen in een bericht over het afscheidscollege van godsdienstsocioloog Dekker als hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

Ik kon uit het bericht niet opmaken in welk verband hij deze zin had uitgesproken en misschien ruk ik de uitspraak geheel uit zijn oorspronkelijke verband als ik hem van toepassing verklaar op het werk buitenshuis van jonge moeders. Toch doe ik het, want volgens mij raakt hij de kern van de problematiek van veel van deze vrouwen.

De jonge moeder van nu is over het algemeen geschoold, zij heeft gestudeerd, een vakopleiding gedaan, cursussen gevolgd en zij heeft met al dat geleerde toch wel een flink aantal jaren een baan gehad voor zij moeder wordt. Het werk gaf haar een eigen inkomen en een sociaal leven met collega's. Na het werk was zij vrij in de besteding van haar tijd, al dan niet samen met met haar eventuele man of vriend, familie en kennissen. De overgang van deze relatieve vrijheid naar het moederschap met de relatieve gebondenheid aan huis kan voor veel vrouwen dan ook groot zijn.

Daar komt nog bij dat de moderne media, de televisie voorop, degene die thuis is voortdurend confronteren met een leven daarbuiten. Het menselijke bestaan speelt zich niet meer af in de besloten kring van het eigen milieu in de eigen buurt. De buitenwereld laat zich kennen, de wereld waar dingen gebeuren. En dat wekt de behoefte daar deel aan te hebben, erbij te horen, mee te doen. Niet met het spectaculaire, maar juist met het gewone alledaagse. Meeschelden op een nieuw type computer, meelachen over een nieuwe regeling van het ministerie, meepraten over een musicaldecor.

Voorstellen voor het uitkeren van verzorgingsloon aan moeders of voor een langdurig zwangerschaps- en zorgverlof houden hiermee geen rekening. Het zijn sympathieke ideeën, maar ze richten zich voornamelijk op de materiële kanten van het moederschap: compensatie voor inkomensderving en garantie om als de kinderen groot genoeg zijn weer aan het werk te kunnen. Ik vraag me af of dat het meest wezenlijke aspect is van het vrouw-moeder dilemma. Ik denk dat het welbevinden van jonge vrouwen - en daarmee dat van hun kinderen - juist gebaat is met het meedraaien in een wereld buitenshuis. Het hebben van een kind doet aan het verlangen erbij te horen weinig af. Jonge moeders kunnen zich inderdaad soms sociale minima voelen, ook al is er geen geldgebrek.

Uit cijfers van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) blijkt dat een derde van de Nederlandse vrouwen naast het moederschap liever geen werk wil. Ik weet niet of dit degenen zijn met zwaar en/of geestdodend werk, waarvan ze maar al te graag verlost willen worden. Vergeleken met andere Europese landen is de wens om naast het moederschap fulltime te werken laag: zeven procent. In België is dat bijvoorbeeld 36 procent.

Over het traditioneel lage percentage werkende moeders in Nederland zijn allerlei verklaringen in omloop. Eén ervan spreekt me vooral aan, omdat zij wel goed past bij mijn redenering. In tegenstelling tot Nederland waren andere Europese landen betrokken bij de Eerste Wereldoorlog. De mannen moesten het leger in en werden onttrokken aan het normale arbeidsproces, terwijl de oorlogsindustrie bovendien juist extra werkkrachten nodig had. Hun plaats werd door vrouwen ingenomen. Na de oorlog wilden lang niet allen terug naar het loutere huisvrouwenbestaan. Een sociaal ontwikkelingsproces dat zich in Nederland dus niet voordeed. Kortom, de overgang van het leven buitenshuis naar het leven binnenshuis blijkt soms moeilijk. Toen dáár, nu hier.

Van de moderne jonge Nederlandse moeders wil 59 procent dan ook flexibel kunnen eten van twee walletjes - thuis en buiten - en het hebben van kinderen het liefst combineren met een deeltijdbaan. Nu wordt over deeltijdbanen vaak in negatieve zin gesproken, omdat het veelal geen volwaardige banen zijn en ze vrouwen dus in een minderwaardige positie houden. Zelfs een “wettelijk recht op deeltijdarbeid” zoals de Nederlandse Gezinsraad bepleit, helpt daar niet tegen.

Daarom is meer nodig. Voor bedrijven en instellingen in diverse branches zou men het functie- en takenpakket integraal zodanig moeten herstructureren tot nieuwe arbeidsorganisatorische modellen, dat op allerlei niveaus plaatsen vrijkomen waar men bijvoorbeeld vanaf minimaal vijf dagdelen van vier uur per week zinvol en verantwoordelijk kan meedraaien. Daarbij zou het interessant zijn, waar mogelijk, uit te gaan van zeven dagen per week en ook de avond erbij te betrekken. Voorwaarde zou wel moeten zijn dat de dagdelen waarop men werkt, vastliggen, zodat er geen wisselende roosters nodig zijn. Gevoelens van overbelasting ontstaan zelden doordat men veel te doen heeft, maar veeleer door onregelmatigheid. Het druk hebben is niet erg, als het zich maar afspeelt in een stabiel leefpatroon. Vaste dagdelen maken het bovendien voor mannen mogelijk ook op die manier te gaan werken, zodat degenen die dat willen grotendeels samen voor de kinderen kan zorgen.

Wie als bezwaar maakt dat het 'sociale leven' ontwricht raakt, omdat familie, vrienden en kennissen dan niet meer de vrije avonden, zaterdagen en zondagen gemeenschappelijk hebben, onderschat de vrije sociale marktwerking: er zullen op den duur zeer waarschijnlijk nieuwe vormen onstaan voor visite, viering en verenigingsleven.

Het lijkt me een mooie taak voor de nieuwe Commissie Dagindeling van minister Melkert om zulke nieuwe deeltijdmodellen te ontwikkelen. Sociale Zaken, daar valt ook het sociale levensonderhoud onder.

    • Rita Kohnstamm