Het eerste dierlijke leven is mogelijk ouder dan gedacht

Het leven op aarde ontstond, volgens de huidige inzichten, circa 3,5 miljard jaar geleden. De oudste sporen van dierlijk leven zijn echter veel jonger, deels doordat de evolutie van dierlijke organismen veel meer tijd vergde dan die van planten, deels ook doordat de oudste diersoorten niet beschikten over harde bestanddelen.

Fossilisatie van zachte bestanddelen vereist specifieke, tamelijk zeldzame, omstandigheden; de kans dat dergelijke fossielen worden gevonden is dus zeer gering. Toch zijn er enkele beroemde vindplaatsen met dergelijke fossielen. Deze zogeheten Ediacara-fauna's zijn van diverse continenten bekend en de meeste dateren van omstreeks 590-700 miljoen jaar geleden.

Het einde van dit tijdsinterval valt samen met de overgang van het Proterozoïcum ('de era van het vroege leven') naar het Paleozoïcum (de 'era van het oude leven', waarin zich binnen slechts enkele tientallen miljoenen jaren talrijke - goed fossiliseerbare - diergroepen met schalen en skeletten ontwikkelden). In brede paleontologische kring is dan ook lang als regel aangehouden dat deze overgangsperiode tevens het begin aanduidt van het dierlijk leven op aarde. In Science (25 oktober) worden echter argumenten aangedragen voor de hypothese dat het dierlijke leven ouder is. Enkele onderzoekers van de State University of New York at Stony Brook vergelijken de nucleotiden-sequenties van zeven genen bij vertegenwoordigers van nog levende diersoorten uit zestien phyla.

De onderzoekers concluderen uit hun bevindingen dat de diverse phyla al tussen 1 en 1,2 miljard jaar geleden van elkaar moeten zijn afgescheiden. Ze nemen bij hun berekeningen aan dat de snelheid waarmee nucleotiden gedurende de evolutie worden vervangen, ruwweg constant gebleven is. Deze opvatting is echter niet onomstreden. In een commentaar op het artikel concludeert de in Nederland geboren geoloog Geerat Vermeij van de University of California dat de oorsprong van dierlijk leven op basis van geochemische vondsten tussen de 700 en 900 miljoen jaar geschat wordt.

In de opschudding die deze bevinding veroorzaakte, is tot nu toe steeds over het hoofd gezien dat een Nederlandse geologe, I.M. van Waveren (destijds werkzaam op het Geologisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Utrecht; thans medewerkster van het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden) al enkele jaren geleden aannemelijk maakte dat het dierlijk leven lang voor het begin van het Paleozoïcum tot ontwikkeling kwam. Zij onderzocht zogeheten acritarchen, zeer kleine fossielen die gevonden worden in recente mariene afzettingen, maar ook aanwezig zijn in sedimenten van ca. 1,8 miljard jaar oud. De herkomst van de acritarchen was nooit opgehelderd. Omdat ze voorkwamen in tijden waarvan alleen fossiele algen bekend zijn, werden ze vaak toegeschreven aan groene algen.

Mevrouw Van Waveren toonde aan dat ei-omhulsels van sommige soorten copepoden (roeipootkreeftjes) uit recente afzettingen in de Golf van Mexico en uit subrecente afzettingen in de oostelijke Bandazee zowel chemisch als morfologisch een exacte gelijkenis vertonen met bepaalde soorten proterozoïsche acritarchen. Haar conclusie, onder meer verwoord in een bijdrage aan het boek 'Neogene and Quaternary dinoflagellate cysts and acritarchs' (in 1992 uitgegeven door de American Association of Stratigraphic Palynologists Foundation) was reeds toen dat sommige (oude) acritarchen de ei-omhulsels zouden kunnen zijn van destijds levende arthropoden (mogelijk ook copepoden). Voor het Nederlandse publiek zette zij dat uiteen in een bijdrage aan Grondboor en Hamer (jaargang 49, 1995, pag. 25). Haar ideeën vonden indertijd echter geen respons, omdat het idee van zulk oud dierlijk leven te sterk afweek van de toen geldende opvattingen.

Nu het in Science beschreven onderzoek aannemelijk maakt dat het dierlijke leven reeds in het Proterozoïcum ontstond, lijkt het zinvol proterozïsche acritarchen opnieuw te onderzoeken, om zo na te gaan of die inderdaad, zoals door de Nederlandse geologe gesuggereerd, ook (deels) een dierlijke oorsprong hebben.