Heremiet van Genève

De schaakschrijver Edward Winter heeft met God gemeen dat zijn bestaan alleen uit zijn werken is af te leiden. Niemand heeft hem ooit gezien.

Er zijn geen foto's van hem. Hij heeft een adres in Genève en hij beantwoordt zijn post, maar wie hem om biografische gegevens verzoekt, krijgt een kort briefje waarin wordt meegedeeld dat alleen op schaakzaken kan worden ingegaan. Doordat Winter al vijftien jaar duidelijk heeft laten merken dat zijn hart meer bij de schakers van vroeger ligt dan bij het moderne schaak, wordt hij door velen beschouwd als een oude man. Dit wordt tegengesproken door hen die bij overlevering hebben vernomen dat hij in de jaren zeventig wel degelijk gezien is, in de gedaante van een leerling van een Engelse school, en dat er uit die tijd zelfs een schaakpartij van hem bewaard is gebleven. In schaaktijdschriften wordt Winter vaak de Alwetende genoemd.

Winter is rechtvaardig maar streng. Iedere Engelstalige schaakschrijver weet het: als hij een jaartal verkeerd zet, een mat overziet in een analyse of een zonde begaat tegen de Engelse taal, zal hij gegeseld worden door Winter, wiens oog alles ziet.

In 1982 richtte Winter een tijdschrift op, Chess Notes. Geboren uit het besef dat de schaakliteratuur een vuilnisbelt is van uit de duim gezogen anecdotes, vermoedens die voor feiten worden uitgegegeven en vergissingen die door klakkeloze overschrijvers een eeuwig leven leiden. Chess Notes moest een forum zijn voor serieuze onderzoekers. Dat was het acht jaar lang. Toen hield Winter er opeens mee op, omdat zijn correspondenten niet ijverig genoeg naar zijn zin waren. Een paar jaar later begon hij met een rubriek, in verschillende schaaktijdschriften afgedrukt, waarin hij het schoonmaakwerk in zijn eentje voortzette.

Kort geleden verscheen bij uitgeverij Cadogan, Londen, een verzamelbundel van Winters kritische kanttekeningen bij de schaakliteratuur, Chess Explorations, A Pot-Pourri from the Journal Chess Notes. Het is een bont album van curieuze partijen, kleine feiten, vernietigende boekbesprekingen en diepgaande onderzoekingen.

“Welk lied de Sirenen zongen en welke naam Achilles aannam toen hij zich tussen de vrouwen verborg, het zijn lastige vragen die zich toch niet onttrekken aan speculatie.“ De woorden van Thomas Browne zouden een motto voor dit boek kunnen zijn, ware het niet dat het woord speculatie Winter een gruwel is.

Een voorbeeld hoe het indertijd in Chess Notes toeging. Winter vindt in het Joegoslavische tijdschrift Sahovski Glasnik een verhaal over de match die Capablanca in 1922 gespeeld zou hebben tegen de Duitse biljartkampioen Erich Hagenlocher. Bij het schaken gaf Capablanca een toren voor, bij het biljarten kreeg hij 75 caramboles voor, op de honderd. Het werd 1-1, beide spelers wonnen in hun eigen tak van sport. Winter publiceerde de schaakpartij. Dit was in 1983. In de loop der jaren worden er nog vele artikelen aan deze kwestie gewijd. Inzenders wijzen er op dat het verhaal onzin is. We komen te weten wie het verhaal in de wereld heeft gebracht, waar en wanneer. Wie de zogenaamde Capablancapartij echt gespeeld heeft. Hoe de carrière van de biljartkampioen, die in werkelijkheid Hagenlacher bleek te heten, verlopen is. In 1989, zes jaar na zijn eerste melding, noteert Winter voldaan: “Langzaam maar zeker lijken alle sleutelfeiten in deze zaak nu aan het licht te zijn gekomen.“ Tot onze verrassing blijken sommige klassieke schaakanekdotes echt waar te zijn. De match tussen de universiteit van Cambridge en het gekkenhuis van Bedlam is inderdaad door Bedlam gewonnen, Winter geeft de details en wij twijfelen niet meer.

Geen zonde is Winter te onbetekenend, bij een drukfout grijpt hij de karwats. Maar vaak is zijn correctie is ook belangrijk. Reuben Fine schrijft ergens dat Bogoljubow, de Rus die in Duitsland woonde, een aantal van zijn collega's door de nazi's in een concentratiekamp liet zetten. Verschrikkelijke beschuldiging die Fine achteloos in één zin laat vallen, zonder enige toelichting. Winter toont aan dat er voor de beschuldiging geen grond is te vinden. En dan komen alle schaaktechnische kleinigheden die Winter elders in het boek aan Fine verwijt opeens in een ander licht te staan. Als Fine over schaken zo slordig is, wordt het aannemelijk dat hij het ook over Bogoljubow is geweest.

Niemand wordt gespaard, maar op één man is Winter in het bijzonder gebeten: de Engelsman Raymond Keene. Keene als organisator, als schaakpoliticus, als journalist, als schrijver, niets deugt aan hem. Honderden onwaarheden en slordigheden worden Keene nagedragen. Zegt Keene het ene jaar dit en een ander jaar precies het omgekeerde, in vol vertrouwen dat zijn lezers het al vergeten zullen zijn, dan heeft hij toch buiten Winter gerekend. Winter is pedant, hij wordt vaak humorloos gevonden, maar op een fout is hij zelden of misschien nooit betrapt. En heel af en toe lijkt het wel mee te vallen met het veronderstelde gebrek aan humor van Winter. Hij drukt de volgende stelling af.

Er volgde 1...Pg4+ Kh1 2. Kf1 f3 3. Kf2 h2 4. Kf1 f2 5. Pxf2 mat. Een standaardwending uit de eindspelboekjes. Waarom is dit diagram eigenlijk afgedrukt? Het is het slot van een partij Janowsky-Keene, New York 1917. Een heel andere Keene, een zekere Lester Keene. Maar met groot genoegen zal Winter de zin hebben opgeschreven: “Men kan zich de consternatie van Keene voorstellen toen Janowsky mat in vijf forceerde.“

    • Hans Ree