Hart- en vaatziekten ontstaan mogelijk al in de baarmoeder

Er is bijna geen hypothese in de geneeskunde die de laatste jaren meer discussie heeft uitgelokt dan die van David Barker. Deze Britse professor probeert al zeker tien jaar met een vloed aan artikelen de stelling te onderbouwen dat de bron van hart- en vaatziekten en verschillende andere chronische aandoeningen bij volwassenen gelegen is in de baarmoeder en in de kinderjaren.

Hart- en vaatziekten zijn volgens Barker dus niet zozeer een kwestie van verkeerde eetgewoonten en te weinig bewegen, maar vooral van aanleg.

In The Lancet van 9 november staat een drietal publicaties waarin Barkers zogenoemde 'fetal origins-hypothese' verder wordt onderbouwd. Uit onderzoek van het Londense Royal Free Hospital blijkt dat een lage sociaal-economische status bij de geboorte (dus veelal een slechtere voedingstoestand van het kind) inderdaad samengaat met een 30% hogere kans op hart- en vaatziekte, ongeacht de sociale klasse die men later als volwassene bereikt. De twee andere onderzoeken (waaraan Barker zelf meewerkte) waren gebaseerd op gegevens uit verloskundige archieven van het begin van deze eeuw. Barker benut archieven waarin exact het geboortegewicht, de lengte en het placentagewicht van de pasgeboren kinderen zijn vastgelegd, waardoor het mogelijk wordt naar een verband te zoeken tussen de allereerste levensfase en eventuele latere aandoeningen.

In het ene artikel laat Barker zien dat de sterfte aan hart- en vaatziekten onder inmiddels bejaarde, 'flinke' borelingen uit Hertfordshire en Sheffield inderdaad duidelijk hoger is dan onder degenen met een laag geboortegewicht. Het andere onderzoek is gebaseerd op gegevens uit een Indiaas missieziekenhuis. Ook daar bleek er een verband te bestaan tussen de foetale groei en hart- en vaatziekten op volwassen leeftijd - al was de relatie hier alleen aantoonbaar voor de geboortelengte en niet voor het geboortegewicht.

In een commentaar in The Lancet wijzen twee Canadese artsen erop dat er op de schijnbare onderbouwing van de hypothese van Barker wel het een en ander valt af te dingen. Een belangrijk bezwaar is dat alle onderzoekingen betrekking hebben op individuen die vele jaren geleden geboren zijn, zodat slechts een kleine fractie van de oorspronkelijke groep kan worden opgespoord, met als gevolg mogelijke vertekening in de uiteindelijke resultaten. Inconsistent is dat juist in de goed doorvoede naoorlogse generatie de sterfte aan hart- en vaatziekten hoog is, ook in landen als Finland en Noorwegen waar de geboortegewichten zelfs tot de hoogste in Europa gerekend kunnen worden.

Wat verder tegen Barker zou pleiten, is dat hij in zijn publicaties consequent citeert uit rapporten die zijn hypothese ondersteunen en andere onderzoeken in het geheel niet noemt, waardoor de niets vermoedende lezer de indruk krijgt dat er geen tegenstrijdige resultaten zijn geboekt. De Canadezen besluiten echter dat er, ondanks al dit voorbehoud, toch voldoende bewijs is voor de 'fetal origins-hypothese' om verder onderzoek te rechtvaardigen.

    • Bart Meijer van Putten