Grauwe franjepoot stuwt met draaikolk zijn voedsel omhoog

Een ballerina zou met bewondering naar een grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus) kijken. Deze vogel, behorende tot de strandlopers, draait soms als een bezetene rondjes in het water, 60 per minuut.

Door zijn kop in kleine rukjes van 45 graden rond te draaien voorkomt het dier duizeligheid. Het snelle rondcirkelen veroorzaakt een draaikolk die insectenlarven, kreeftachtigen en ander voedsel aan de oppervlakte brengt, zo schrijft een groep Amerikaanse biologen in Nature (14 nov.). In hoog tempo - drie slagen per seconde - pikken de vogels tijdens het cirkelen naar hun prooi. Het waarnemen, grijpen en doorslikken van de prooi duurt slechts een halve seconde. De franjepoot voedt zich sneller dan enige andere vogel, aldus de Amerikanen.

Om meer inzicht te krijgen in de watercirculatie bootsten de biologen de 'gevederde ballerina' na. Ze bonden een gemotoriseerde speelgoed-onderzeeër aan een drijvend vlot. De propellor van de boot zat op dezelfde diepte als de poten van de franjepoot. Ze testten deze gemechaniseerde franjepoot in aquaria met verschillende diepte. In 1,5 meter diepe aquaria werden deeltjes op een halve meter afstand van de onderzeeër omhooggestuwd. Binnen de draaicirkel van het speelgoed ontstond een roterende kolk, en daarbuiten een niet-roterende stroming. Precies zoals dat bij franjepoten wordt waargenomen. Het is een techniek waarmee de vogel zijn prooi snel binnen zijn bereik krijgt. In aquaria die niet dieper waren dan 0,5 meter ontstonden er wervelingen op de bodem. In het centrum daarvan werden kleine deeltjes omhooggestuwd. Franjepoten kunnen dus zowel in diep als in ondiep water naar prooi zoeken.

De Amerikanen schrijven dat franjepoten de enige gewervelden zijn die een dergelijk gedrag vertonen. En ook zij doen het alleen als het voldoende voedsel oplevert. Het draaien van zestig rondjes per minuut betekent namelijk een aanslag op de energiereserves. De vogels zien van het waterballet af als het hard waait en er kolken en hoge golven zijn. Dat was de Nederlandse ecoloog en Nobelprijswinnaar Nikolaas Tinbergen in 1935 trouwens ook al opgevallen.