Geen tijd

Als je alle kwalen van alle Nederlanders bij elkaar zou optellen kwam je tot de conclusie dat hier geen mens gezond was. Met kwalen bedoel ik niet de erkende, traditionele ziektes waarvan de mensheid al sinds de Cro-Magnons en de Neanderthalers last heeft, maar ruwweg datgene wat deze eeuw de kop heeft opgestoken. Het verbaast me dat er nog geen kwalenbureau is, zoals je instituten voor alles hebt, dat het geheel in kaart brengt, hoofdelijk omslaat, kansen berekent, faxen uitstuurt en congressen belegt. Of misschien is het er wel en dan sta ik niet op de mailing-list.

Denk niet dat ik er een grapje van maak. Ik ben ervan overtuigd dat degenen die de onlangs ontdekte muishandziekte hebben, daar werkelijk aan lijden. De enige die een lijden, welk dan ook, goed kan beoordelen is de lijder zelf. Het begin van de therapie is dat het lijden wordt erkend en de enige manier waarop men dit kan doen is door het een naam te geven. Nu de muishandziekte is benoemd ligt de genezing in het verschiet. Hetzelfde zal gebeuren met de telefoonschouder die iedere dag meer terrein wint, maar nog geen naam heeft. Kijk eens op de televisie naar het leven van de hoekmannen op de beurs. Binnenkort komt er een onderzoek naar de telefoonschouderziekte. Voor alle zekerheid nog één keer: ik bedoel dit allemaal zo ernstig mogelijk.

Precies een maand geleden is bekend geworden dat steeds meer managers lijden aan het informatiemoeheidssyndroom. Ze kunnen het kaf niet meer van het koren onderscheiden, proppen zich vol met kaf en krijgen te laat in de gaten dat ze geen plaats meer voor het koren hebben, worden verlamd door schuldgevoel en van het managen komt niets meer. Er zijn dagen waarop je geen fax meer kunt versturen omdat het apparaat de hele werkdag bezet wordt gehouden door ondernemers die je attent willen maken op de onzin waarmee ze geld willen verdienen. In de Verenigde Staten wordt vergeefs gezocht naar een remedie tegen de junkmail op het Internet; hier heb je plakkertjes voor op je brievenbus met NEE en JA, of NEE NEE, om je tegen reclamedrukwerk te verweren. Het zijn allemaal aanslagen op de tijd van leven die u en mij is toebedeeld. In plaats van te leven zitten we gehurkt op de grond, ogen dicht, vingers in de oren om ons te beschermen tegen de slagregens van het postmoderne leven.

Is dat waar? Ja. Begin deze maand is bekend geworden dat twee miljoen Nederlanders in tijdnood zitten. Het blijkt uit een onderzoek, in opdracht van minister Melkert van Sociale Zaken gehouden, onder duizend personen tussen de 18 en 65. Een representatieve steekproef die tot de conclusie heeft geleid dat “ruim een kwart van de mensen combinatieproblemen heeft en daar op dit moment geen oplossing voor weet”. Daarom heeft de minister de Commissie Dagindeling ingesteld. Ik ben benieuwd of het helpt, en vooral ook: wanneer en dit laatste niet voor niets.

Om dit te bewijzen moet ik een greep in de geschiedenis doen. In 1955 werd ik opgebeld door mr. F. Bakels, toen directeur van de uitgeverij Scheltema & Holkema, gevestigd aan het Rokin. Het was hem opgevallen dat steeds meer mensen steeds minder tijd hadden. Hij vroeg of ik over dit moderne vraagstuk een boekje wilde schrijven. We kwamen tot overeenstemming en ik heb toen, na wat bezoekjes bij managers, captains of industry, professoren, wat heb je verder, de verhandeling Geen tijd geschreven. Nu blader ik het door, lees hier en daar een passage en stel vast: ook toen overal hoge nood en geen oplossing. Ik herinner me dat ik het goed vond staan, aan mijn eigen werk een motto vooraf te laten gaan; trof een gedachte van Pascal die ik nu nog even mooi vind. Bekend is het begin. Hij heeft ontdekt dat “alle ellende van de mensen alleen daaruit voortkomt dat ze niet rustig in een kamer kunnen blijven”. Dus beginnen ze aan hun gedoe. En dan eindigt hij: “En zelfs wanneer men zich aan alle kanten beschut wist, zou de verveling niet nalaten eigenmachtig op te stijgen uit het diepst van het hart waar zij natuurlijke wortels heeft, en de geest met haar vergif doortrekken.”

Dit stukje neemt een plechtiger wending dan ik me had voorgenomen. Daarom verwijs ik ook nog naar de tekening waartoe minister Melkert Jos Collignon in de Volkskrant heeft geïnspireerd. We zien een regiment kaboutertjes het huis van twee combinatieprobleempatiënten binnenrukken. Ze zingen het nieuwe lied: Hi-ho, hi-ho, en Melkert die is zo...! De patiënten lijken genezen, ze lopen vrolijk hun tuinpad af, roepend: Dank u minister Melkert! Dank u commissie Dagindeling!

Ik zou over veertig jaar het rapport wel willen lezen dat de commissie Dagindeling straks gaat schrijven. De redding komt van de kaboutertjes.

    • S. Montag