Een pleidooi voor partijdigheid

De wereld brandt, dus geef mij geld. Dat is de kern van het humanitair program. Is er in het Verre Oosten een overstroming, in het Midden Oosten een burgeroorlog of in het Nabije Oosten een aardbeving, barst een vulkaan uit in het Verre Westen of verstuiven de akkers in het Diepe Zuiden - hier in het naastbije Westen verschijnen in de huiskamers radeloze mensen op het scherm en wordt vervolgens een inzameling gehouden en een hulpactie opgezet.

Welke rampen de mensheid ook treffen, er komt altijd nog een gironummer. Zo hoort het ook. Mensen moeten elkaar helpen. Ze hebben waarschijnlijk een neiging meegekregen om hun naasten bij te staan (en vermoedelijk ook een neiging om hun tegen te staan). Wat niet van alle tijden is, maar tamelijk recent, is het medeleven met vreemden in verre werelddelen - een paradoxale erfenis van het kolonialisme dat Europeanen hun soortgenoten overzee heeft leren kennen. In het koloniale tijdperk konden westerlingen zich nog met allerhande uitvluchten harden tegen mogelijk meegevoel: de Aziaat zou niet zo aan het leven hechten; de Afrikaan gaf niet om geld of goed, dat zat zo in hun aard. De Europeaan bewees hun eigenlijk een gunst door hen uit te buiten, op te sluiten en desnoods af te maken, terwille van de beschaving in het algemeen en hun eigen bestwil in het bijzonder.

Het besef dat de mensen daar ongeveer net zulke mensen zijn als de mensen hier, en misschien onderling wel even verschillend, is in het Westen denk ik pas doorgedrongen toen de gekoloniseerden daar in opstand kwamen tegen de westerse overheersing. In hun verzet werden zij voor het eerst herkenbaar, vandaar ook dat het zo'n woede wekte.

Voor de koloniale hoogmoed is een nieuw en voos soort nederigheid in de plaats gekomen: Je mag de buitenwesterse medemens niet tegenspreken, want die heeft toch al zo geleden en is bovendien diep geworteld in de natuur en innig verweven met het verleden, ook nog eens kunstzinnig hoogbegaafd en religieus hevig gedreven (wij kunnen daar in het Westen nog heel veel van leren).

Maar wat nooit verdwenen is, dat is de bemoeizucht, de drift om in te grijpen en om goed te doen, ook als niemand daar aantoonbaar beter van wordt, of het moest de ingrijper zelf zijn. Die ontspoorde naastenliefde manifesteert zich nu maar al te vaak als ontwikkelingswerk en rampenhulp. Het bezwaar tegen al die hulpverlening is niet dat ze niet nodig is, maar dat ze zo vaak niet helpt. Soms is die hulp zelfs schadelijk, een enkele keer gewoonweg moorddadig op het genocidale af. Die enkele keer is nu. Wat zich dezer dagen afspeelt in Oost-Zaïre is de schuld van de Hutu-extremisten. En het zijn de westerse hulpverleners die hun dat jaar in jaar uit mogelijk hebben gemaakt. Zij zijn daar tegen hun zin, maar met volledig medeweten medeplichtig aan geworden.

Het is ze ook nu nog niet genoeg geweest. De hulporganisaties staan te popelen om weer te mogen ingrijpen. En wat gaan ze doen? Ze zullen voedsel uitdelen en medicijnen, dekens en tentdoek verstrekken. Wie nemen die goederen in ontvangst? Dat weten al die hulpverleners donders goed: de gewapende Hutu-milities van de Interahamwe. En die zullen zich met hun gekregen spullen verschansen achter een levend schild van burgervluchtelingen.

Een van de zeer weinige journalisten die zich buiten Goma hebben gewaagd in de Zaïrese wildernis, Sam Kiley, meldt in de London Times hoe Hutu-extremisten 's nachts in de nabije dorpen op rooftocht gaan, de bewoners de keel afsnijden en de kleine kinderen mee terug nemen als gijzelaars. Dat zijn de tegenstanders die de VN-soldaten beleefd doch beslist buiten gevecht zullen moeten stellen. Daar hebben die soldaten niet voor geleerd. De afloop is voorspelbaar. De Hutu-milities krijgen hun zin, er komen nieuwe kampen waar zij ruimhartig worden onderhouden door westerse hulporganisaties zolang zij die kunnen blijven chanteren met de burgervluchtelingen binnen hun schootsveld. Van tijd tot tijd gaan ze in omgeving op rooftocht of uit moorden in het aangrenzende Rwanda.

De buitenlandse soldaten zijn niet opgewassen tegen de Hutu-milities. Niet door gebrek aan slagkracht, maar door een teveel aan scrupules. De enigen die kunnen afrekenen met de Interahamwe zijn de Zaïrese rebellen en hun Rwandese bondgenoten, die daar al mee bezig waren. Het is te hopen dat niet nog veel meer burgervluchtelingen omkomen door de ontberingen en de gevechten. Maar ik ben daar niet gerust op. De drijvende krachten achter de internationale interventie zijn Spanje en Frankrijk, precies de twee landen die de Interahamwe van wapens hebben voorzien. De hele operatie dient Frankrijk als dekmantel voor een bliksemactie tot behoud van de eigen invloedssfeer.

De westerse mogendheden kunnen alleen in Rwanda nog iets ten goede uitrichten, door daar te helpen bij de opvang van terugkerende vluchtelingen. Maar bovenal is het nodig om verder te kijken dan deze crisis. Het humanitair bedrijf bestaat bij de gratie van de crisismentaliteit: 'De mensen sterven nu, er moet nu geholpen worden. Of het echt helpt, dat zie we later wel. Wie nu twijfels oppert, verraadt de medemens in nood.'

Al te vaak is gebleken dat het niet hielp, dat niemand er beter van werd, behalve de hulpverleners met hun zwaarbewapende en doorgecorrumpeerde parasieten. De medemenselijkheid heeft zich tegen de medemens gekeerd. Het is pervers om te willen helpen zonder aanzien des persoons, zonder inzicht in de gevolgen, zonder uitzicht op verbetering. Niet alle mensen moeten altijd geholpen worden. Soms moeten mensen bestreden worden, als ze de oorzaak zijn van de ellende. Daar helpt geen lievemoederen aan. Dan is het nodig om partij te kiezen.

    • A. de Swaan