Een heel en een half gezin tegelijk; Instanties weten zich geen raad met co-ouderschap

Steeds meer ouders die uit elkaar gaan, willen samen voor de kinderen blijven zorgen. Nooit meer weekendvaders, ruzie over bezoekrecht of moeders die tegen hun zin aan huis zijn gebonden. Maar hoe leg je dit ideale compromis uit aan de woningcorporatie, de sociale dienst, de belasting?

Werkgroep Ko, Postbus 19031, 3501 DA Utrecht

De ouders waren het uiteindelijk eens geworden. De scheiding was er door, maar dat betekende niet dat een van hen opeens ophield voor hun dochter te zorgen. Ze zouden haar samen blijven opvoeden, was de afspraak.Elk voor de helft van de tijd. Iedereen tevreden. Behalve de Belastingdienst. Die wilde weten wat 'de helft van de tijd' betekende. Een jaar heeft per slot 365 dagen en dat is niet deelbaar door twee. Dus moest een van de ouders meer ouder zijn dan de ander, en kon er derhalve geen sprake zijn van indeling in de voordelige tariefgroep 5. Tenminste, niet voor allebei. Want die tariefgroep is er voor alleenstaande ouders, en die titel kon volgens de Dienst maar aan een van beide ouders toevallen. Aan degene die het kind die ene dag extra had.

De ouders bedachten een creatieve oplossing. Beiden hadden, zeiden ze, hun kind veertig procent van de tijd thuis. De overige twintig procent zat het op school. Een perfect gelijke verdeling dus. Daar moest de rechter maar aan te pas komen, vond de Belastingdienst. En die gaf de ouders gelijk.

Dan was er nog de kwestie van een ouderpaar dat in aanmerking wilde komen voor een huis dat groot genoeg was om zichzelf en hun kind te huisvesten. Apart, dan wel te verstaan. Het enige probleem was dat een kind niet op twee adressen tegelijk kan worden ingeschreven. De woningbouwvereniging wilde derhalve maar een van beiden als alleenstaande ouder inschrijven. Ook hier zochten de ouders hun toevlucht tot een ludieke aktie. Elke keer als het kind van vader naar moeder verhuisde, in dit geval om de drie dagen, toog de desbetreffende ouder naar de gemeente om dochterlief over te schrijven naar het adres waar ze de volgende dagen zou verblijven. Uiteindelijk werd de ambtenaar in kwestie hier zo moe van dat hij het kind, geheel illegaal, op beide adressen inschreef.

Gelijke inzet

In 1978 schreef de Amerikaanse pedagoge Miriam Galper 'Co-parenting'. Twee jaar later verscheen het boek in de Nederlandse vertaling als 'Co-ouderschap. Een gids voor ouders die na de scheiding hun kind samen willen blijven opvoeden'. Galper was ervan overtuigd dat het mogelijk zou moeten zijn om na een verbroken relatie het gezamelijk gekozen ouderschap ook samen te blijven uitoefenen. Weliswaar niet meer in hetzelfde huis, maar wel met een gelijke inzet van tijd en verantwoordelijkheid.

Na decennia van weekendvaders, ruzie over bezoekrecht en tegen hun zin aan huis gebonden moeders, leek dit het ideale compromis. In Nederland wordt het nieuwe co-ouderschap enthousiast omarmd en is het op het moment een van de meest in het oog lopende 'nieuwe leefvormen'. Nog maar 38 procent van alle huishoudens in Nederland bestaat uit het traditionele, volledige gezin. En in 2005 zullen er naar schatting 400.000 eenoudergezinnen zijn, twee keer zoveel als tien jaar geleden. Vooral voor het linkse volksdeel past het goed in het streven naar een gelijkere verdeling van arbeid en zorg.

Marianne van Doorn was destijds een van de eersten die na haar scheiding de praktische verantwoordelijkheid voor de kinderen met haar ex-man bleef delen. “In ons huwelijk liepen de zaken ook gelijk op. We werkten allebei vier dagen en zorgden een dag in de week voor onze twee dochters. De rest van de tijd was er een oppas.” Toen de relatie stuk liep raakte ze in paniek. “Ik was bang dat ik mijn baan zou moeten opzeggen en veroordeeld zou zijn tot een leven als bijstandsmoeder. De wereld verkleind tot luiers verschonen en breien langs de zandbak.” Het idee van co-ouderschap kwam als een redding. “Zo bleef de combinatie werk en kinderen mogelijk, zowel voor mij als voor Frans.”

Juridische ondersteuning

Vier jaar later, in 1984, kwam er juridische ondersteuning van het ideaal: de Hoge Raad maakte het mogelijk dat ouders samen de ouderlijke macht blijven houden in plaats van de gebruikelijke voogdijregeling, waarbij een ouder voogd en de ander toeziend voogd wordt. Toch blijkt co-ouderschap in de loop van de jaren moeilijk te vangen onder simpele regels. Zijn het in het begin vooral gescheiden paren die tot deze regeling overgaan, naarmate de tijd vordert komen er steeds meer vormen bij. Samenwonenden met kinderen gaan ook uit elkaar en recentelijk zijn er zelfs steeds meer mensen die er voor kiezen om, ook als ze kinderen krijgen, apart te blijven wonen. Bij hen is dus sprake van een co-ouderschap dat niet ontstaat na de relatie, maar tijdens.

Jilly Brown en Paul van Straaten kregen hun eerste kind in 1994. “Een paar jaar daarvoor hadden we een tijdje samengewoond, maar dat was geen succes”, vertelt Van Straaten. “Toen de relatie alleen nog maar leek te draaien om discussies over de afwas, hebben we ons huis ingeruild tegen twee grote etagewoningen in dezelfde wijk. Daarmee kreeg de liefde weer een kans en voelden we ons na verloop van tijd zeker genoeg om kinderen te krijgen. We hebben nu twee zoons, die we elk steeds een week alleen verzorgen. Wel eten we vrijwel altijd samen en in de weekends zijn we met z'n allen in een van beide huizen. Natuurlijk is het organisatorisch weleens ingewikkeld, maar het alternatief lijkt me helemaal rampzalig.”

De praktische invulling van het co-ouderschap verschilt van geval tot geval. Zo zijn er ouders die elk in hun eigen huis wonen en de kinderen om de zoveel dagen laten verhuizen. Of de ouders blijven samen in hetzelfde huis wonen, dat ze alleen anders indelen. Ze kopen twee huizen naast elkaar, met een gemeenschappelijke kinderruimte. Er is ook een variant met drie huizen, een voor de kinderen en twee voor de ouders, komt voor. En zelfs bij dieren schijnt het schering en inslag te zijn. Zo zong een kleine vogel in Sesamstraat, het kinderprogramma van de NOS, vier jaar geleden: “Mama zit in deze boom/ en papa woont dichtbij/ ze zijn niet met mekaar/ maar ze zijn dol op mij.”

Door al dat georganiseer is co-ouderschap geen simpele oplossing. Marianne van Doorn: “Het geregel is soms om gek van te worden. Vooral nu de kinderen op de middelbare school zitten. Voortdurend wordt er heen en weer gefietst om boeken en kleren op te halen die in het andere huis liggen. En ik krijg regelmatig vriendinnen van mijn dochters aan de telefoon die vergeten zijn dat de meiden die avond bij hun vader zijn. Maar het grote voordeel is dat we door die praktische afstand ook meer geestelijke distantie kunnen opbrengen. Ik zit niet op hun lip en zij niet op de mijne. Daarom maken we minder ruzie dan we waarschijnlijk anders zouden doen.”

Gedeeld gezag

Maar de overheid blijft het ingewikkeld vinden als mensen een andere vorm van samenleven kiezen dan de 'normale'. En dus levert de grote verscheidenheid in persoonlijke keuzes binnen het co-ouderschap niet alleen privé-obstakels op bij de betreffende ouders, maar vooral bij de instanties. Die raken geheel verstrikt in hun pogingen te komen tot uniforme regels. Ondanks adviezen van de Emancipatieraad en de Nederlandse Gezinsraad weigert de overheid het co-ouderschap te regelen.

Eind 1995 werd een klein beginnetje gemaakt met een wijziging van het Burgerlijk Wetboek - maar ook dan komt het woord 'co-ouderschap' niet voor. Wel de term 'gezamenlijk ouderlijk gezag'. Woorden als 'voogd' en 'toeziend voogd' verdwijnen, in ieder geval met betrekking tot de ouders. Die krijgen het ouderlijk gezag, en als ze het aanvragen kunnen ze dat delen. Ook voor samenwonenden is er die mogelijkheid, alleen moeten zij een verzoek indienen bij de griffie van het kantongerecht.

De Werkgroep Ko, de belangenorganisatie van co-ouders, is niet gelukkig met het geworstel van de wetgever. Zij zou graag zien dat de status van de co-ouder duidelijk wordt vastgelegd. Ko-voorzitter Lex van Rootselaar: “We pleiten ervoor dat het ouderlijk gezag na het opbreken van een relatie automatisch in stand blijft. Co-ouderschap als regel dus, in ieder geval formeel. En alleen als er zwaarwegende redenen zijn zou het dan mogelijk moeten zijn om een van beide ouders zijn 'macht' te ontzeggen.”

Ko bepleit in feite het omgekeerde van de huidige formulering van de Hoge Raad, die in 1994 uitsprak dat 'beide ouders het co-ouderschap moeten willen.' “Want dat betekent in de praktijk dat degene die de afspraak opbreekt, in de regel de vrouw, bijna automatisch de kinderen krijgt toegewezen. Wij vinden dat hierin het principe zou moeten gelden van 'de vervuiler betaalt'. Wie het co-ouderschap onmogelijk maakt, verliest daarmee een deel van zijn rechten.”

Tim Rohan heeft de prijs betaald voor de huidige regeling. Drie jaar geleden werd zijn ex-vrouw verliefd op iemand anders. Het nieuwe paar trouwde, kreeg een kind en merkte hoe ingewikkeld het is om een heel en een half gezin tegelijk te zijn. Na een jaar proberen werd het co-ouderschap, dat toen inmiddels al acht jaar naar ieders tevredenheid bestond, door de moeder opgezegd.

Rohan: “Van volwaardig vader werd ik gedegradeerd tot weekendvader. Ik zie ze nu eens in de twee weken en dat is veel te weinig. Voor hen, maar ook voor mij. Ik weet nauwelijks meer waar ze mee bezig zijn, raak de draad van hun leven kwijt. Die machteloosheid, dat is misschien nog wel het ergste. En natuurlijk is de relatie met mijn ex er ook niet beter op geworden.”

Vechtersmentaliteit

Het gebrek aan algemeen geldende richtlijnen betekent dat op het moment elke instantie zelf beslist wat zij het beste vindt. Zo zijn sommige woningbouwverenigingen en gemeenten in Nederland heel coulant in het toewijzen van twee behoorlijke woningen. Die moeten dan wel voor handen zijn. Wat betekent dat je met name in het westen een lange adem en een goede vechtersmentaliteit moet hebben om aan een huis (of twee) te komen.

Ook dan willen de regels nog wel eens wijzigen. Drie jaar geleden kreeg Chris Baerveldt een eengezinswoning toegewezen voor hemzelf en zijn dochter Linde. Maar toen vrienden van hem datzelfde twee jaar later probeerden, in dezelfde wijk, kregen ze nul op het rekest. Een standpunt dat nu, nadat Baerveldt zijn beklag deed bij een raadslid van Groen Links, waarschijnlijk weer zal worden teruggedraaid.

Overigens zegt dat niets over het toewijzen van een gezinstarief in het kader van de huursubsidie. Dat gaat aan Baerveldts neus voorbij, ondanks een poging, tot aan de Hoge Raad aan toe, om ook daarin zijn gelijk te krijgen. De hoogste rechtsinstantie van Nederland bleef daarin op het standpunt staan dat Baerveldt alleen recht had op het alleenstaandentarief - Linde staat immers voor de Burgerlijke Stand bij haar moeder ingeschreven. Een argument dat dus wel gold ten aanzien van huursubsidie, maar niet met betrekking tot het toegewezen krijgen van een woning. “Ik begrijp daar niets van”, zegt hij. “Het lijkt alsof al die instanties geen enkel contact met elkaar hebben. Alsof de Baerveldt in de computer van de woningbouwvereniging een andere is dan die in het systeem van de gemeente.”

Eenzelfde soort tegenstrijdigheid komt regelmatig voor als het gaat om de Bijstandsuitkering. Het probleem daarbij is dat een co-ouder noch kan worden gezien als een alleenstaande (hij heeft immers een kind dat hij verzorgt), noch als een eenoudergezin (want de helft van de tijd is hij alleenstaande). Dat heeft financiële consequenties. Als eenoudergezin krijgt de uitkeringsgerechtigde negentig procent van de gezinsnorm, terwijl een alleenstaande maar zeventig procent op zijn rekening bijgeschreven ziet. Maar wat moet iemand krijgen die de helft van de tijd het een en de helft van de tijd het ander is?

In het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de nieuwe Algemene Bijstandswet was een aparte regeling opgenomen voor de vaststelling van de bijstandsnorm voor co-ouders. Die volgde de opgebouwde jurisprudentie: als de ouder het kind verzorgt wordt hij aangemerkt als alleenstaande ouder, de rest van de tijd is hij alleenstaande. Een ingewikkelde constructie, zeker, maar na jaren van touwtrekken en hoofdbrekens van rechters, leek er in ieder geval een soort duidelijkheid te ontstaan. Een die voor elke uitkeringsgerechtigde zou gelden.

Vereenvoudiging

Het voorstel heeft de nieuwe wet niet gehaald. Het kabinet kende een hogere prioriteit toe aan de vereenvoudiging van de normen en vond dat het maar aan de individuele gemeenten moest worden overgelaten “welke benadering gezien de omstandigheden van de betrokkene het meest passend is”.

Zo verhuisde Jan van Zijl twee jaar geleden van Almere naar een dorp in Friesland. Evenals zijn vriendin, die daar een baan gekregen had. Het co-ouderschap werd voortgezet, net als zijn bijstandsuitkering. Dacht hij. “In Almere kreeg ik tachtig procent van de gezinsnorm, een middeling tussen zeventig en negentig procent. Maar hier vinden ze co-ouderschap maar vreemd, en blijven ze me beschouwen als een alleenstaande. De ambtenaar aan het loket zei zelfs dat zij zich niet kon voorstellen dat mijn vriendin onze zoon de helft van de tijd 'aan mij toevertrouwde'. Ik heb van alles geprobeerd. Brieven geschreven, protest aangetekend, gesprekken gevoerd met de hoogste baas. Het heeft tot nu toe allemaal geen enkele zin gehad. En een proces durf ik eigenlijk niet aan. Want als ik verlies moet ik de kosten betalen. En ik zou niet weten waarvan.”

Waar de wet zich wel over uitspreekt is de sollicitatieplicht voor ouders met kinderen onder de vijf jaar. Door tussenkomst van GPV-kamerlid Schutte kunnen co-ouders nu in aanmerking komen voor een gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichting. Maar dan wel alleen voor de tijd dat ze hun kind hebben, en alleen als ze het zo regelen dat ze minimaal twintig uur per week aaneengesloten voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn. “Dat is des te meer gerechtvaardigd omdat de taakverdeling ten aanzien van de verzorging van de kinderen in veel gevallen door de betrokkenen zelf is bepaald of in onderling overleg in overeenstemming kan worden gebracht met de arbeidsvoorwaarde die de bijstand stelt”, zegt de wet. Waarbij moet worden aangetekend dat ook hier de gemeenten de mogelijkheid behouden om van deze algemene regel af te wijken.

Bijstandstoerisme

Volgens directeur Lemmen van Divosa, de belangenvereniging van Sociale Diensten, kan dat betekenen dat sommige Diensten hun klanten zullen dwingen tot het bedenken van een andere co-ouderschapsregeling. En zelfs, als dat niet mogelijk is, tot het beëindigen ervan. “De individuele vrijheid van de burger wordt begrensd als er gemeenschapsgeld in het geding is. Ik vind niet dat wij hoeven te betalen voor de persoonlijke keuzes van mensen.”

Het is lastig, erkent Lemmen, dat geen enkele uitkeringsgerechtigde kan overzien wat het beleid van zijn of haar gemeente is. Grappend zegt hij dat die situatie kan leiden tot 'bijstandstoerisme'. Gelachen heeft de directeur overigens ook kort geleden, toen Bert de Vries, momenteel voorzitter van de Sociale Verzekeringsbank, suggereerde om mensen in de AOW een individuele uitkering te geven en niet meer te kijken naar een eventuele gezamenlijke huishouding. “Dat zijn toch hele andere teksten dan wij van hem hoorden toen hij als minister nog verantwoordelijk was voor de voorbereiding van de nieuwe wet. Toen was hij fel gekant tegen individualisering en schoot hij elk voorstel van ons in die richting af.”

Lemmen is er nog steeds van overtuigd dat individualisering de oplossing voor veel problemen is. “Zowel bij de AOW, als bij het co-ouderschap en elke andere nieuwe leefvorm die op dit moment opgeld doet. De maatschappelijke realiteit is nu eenmaal te ingewikkeld geworden. Maar hij heeft het destijds niet willen regelen, wat betekent dat de Sociale Diensten te kampen hebben met uiterst gecompliceerde uitvoeringsproblemen. Zij betalen de rekening.”

Co-ouder Jan van Zijl voelt zich overigens evenzeer 'slachtoffer' als de Sociale Diensten. “Natuurlijk hoort geld niet belangrijk te zijn. Maar als je het niet hebt gaat het alles beheersen. Mijn zoon is dol op zijn grootouders. Maar vaker dan één keer per maand kan ik me een retourtje nu niet meer permitteren. Want co-ouderschap is al duur, zonder dat je door de Dienst gekort wordt. Dubbel speelgoed, twee kamers, twee volle klerenkasten. Wat niet wil zeggen dat ik niet achter mijn keuze sta om mee te verhuizen. Anders was ik Remco kwijt geweest. En dat lijkt me nog erger. Ik wil vader zijn, niet zomaar een man die weleens langs komt. Dat gevecht ben ik aangegaan en zal ik blijven voeren.”

Verwarde instanties, verwarde ouders. Vandaar dat het volgens de Werkgroep Ko tijd wordt dat de wetgever een uitspraak doet, zodat iedereen weet waar hij aan toe is. Onderwijl raadt Ko-voorzitter Lex van Rootselaar de zoekende ouders aan 'zo weinig mogelijk' officieel op te geven. “En als je meerdere kinderen hebt, is het verstandig het ene kind in te schrijven op het ene adres en het andere op het andere.” Maar waar wijsheid ligt in slimmigheidjes, “duidt dat voor ons op een falende overheid”, zegt Van Rootselaar. En nemen ouders hun toevlucht tot ingewikkelde oplossingen.

    • Ingeborg van Teeseling