Een grote blije sprintersfamilie

Oud-olympisch sprintkampioen Peter Mueller (42) is de eerste buitenlander die zich als coach over een Nederlandse schaatsploeg ontfermt. De Amerikaan, die kampioenen als Dan Jansen en Bonnie Blair afleverde, moet Gerard van Velde naar de top leiden.

Als vijftienjarige schaatser zag Peter Mueller in Inzell grootheden als Ard Schenk, Kees Verkerk en de Duitse sprinter Erhard Keller over het ijs voorbijglijden. “Ik pikte van de verschillende schaatsers de techniek waarvan ik dacht dat die goed voor mij zou zijn. Erhard Keller, daar keek ik echt tegenop. Ik hield van zijn techniek.” Het was in de tijd dat Mueller als bijgelovige schaatser steeds dezelfde (schone) sokken en hetzelfde T-shirt droeg en voor elke vlucht tegen het vliegtuig klopte. Als trainer beperkt hij zich tot het geloof in God. “Maar daar ga je niet sneller door schaatsen.”

Weinigen durven het hardop te zeggen, maar Mueller is vooral naar Nederland gehaald om van Gerard van Velde een wereldkampioen te maken, de sprinter uit Heerde die al een paar jaar tegen de wereldtop aanzit. “Hij is een supertalent. Met een klein beetje begeleiding kan hij een superster worden. Hij heeft het in zich om lange tijd de beste op de 1.000 meter te zijn. Bovendien kan hij een erg snelle 500 meter schaatsen. Het is bij hem een klein beetje een mentale kwestie. Hij heeft het nodig een keer te winnen. Hoe trainers de afgelopen jaren met hem zijn omgesprongen, interesseert me niet. Het gaat mij erom wat er vandaag, morgen en volgende week gebeurt.”

Peter Mueller komt uit Madison, Wisconson. Net als Eric Heiden, een van de beste schaatsers die de Nieuwe Wereld voortbracht. In Lake Placid (1980) won Heiden op vijf afstanden goud. Mueller beleefde zelf zijn grootste succes als schaatser op de Spelen van 1976 in Innsbruck. Hij won goud op de 1.000 meter. Elke zomer treffen Heiden en Mueller elkaar op een reünie van schaatsvrienden in Milwaukee. Ze verdrijven er de tijd met leuke dingen als waterskiën. En dan zijn er de Winterspelen waar ze elkaar tegen het lijf lopen. Sinds hij in 1980 stopte als schaatser, had Mueller op iedere Winterspelen een ploeg onder zijn hoede. Heiden is er tv-commentator, net als zijn legendarische landgenote Bonnie Blair, die gouden medailles won op sprintafstanden in Calgary (1988), Albertville (1992) en Lillehammer (1994). Bij de laatste twee toernooien was Mueller haar coach.

Hoewel Heiden een paar jaar jonger is, stak Mueller veel van hem op. “Ik heb van hem geleerd hoe ik waardig kon verliezen”, zegt hij met een glimlach. “Hij werkte er in die tijd harder voor dan wie dan ook. Wat kon die jongen schaatsen. In 1979 reed hij 1.14 en nog wat in Milwaukee, tijdens olympische kwalificatiewedstrijden op een buitenbaan. Met gemak, met één arm los. Bovendien was het slecht weer. Hij was verbazingwekkend goed. Ik had nog wel eens lol in de winter, naast het schaatsen, maar dat was er voor Eric niet bij.”

Toen Mueller in Innsbruck olympisch goud won, had hij een Nederlandse trainer, Peter Schotting. “Een harde trainer, die ons keihard liet werken.” Schotting was destijds vooral over de mentaliteit van Mueller te spreken: “Als hij iets in zijn kop heeft, dan moet het gek gaan wil het hem niet lukken.” Sinds 1980 beoefent Mueller zelf het trainersvak. Hij begeleidde sprinters én allrounders in de VS, Duitsland en Oostenrijk. Mueller werkte ook in Frankrijk, waar kunstschaatsen vooral dankzij de zwarte Surya Bonaly aanzienlijk populairder is dan hardschaatsen.

In Frankrijk is ook een van de weinige zwarte hardschaatsers actief die deze sport kent, Lionel Sodogas. “Ik kan me herinneren dat er in mijn jeugd een paar zwarte schaatsers waren. Toen ik dertien was reed ik tegen Solomon Hughes uit Minneapolis. Hij was geweldig snel, een groot talent. Maar hij stopte ermee, om football of basketball te gaan spelen. De idolen van zwarte Amerikanen bevinden zich immers in die sporten. Er is nooit een grote zwarte schaatser geweest, dus zal die sport onder hen niet populair worden. Het is net zoiets als een sprintprogramma in Nederland opzetten. Als we hier een sprinter op het hoogste niveau krijgen, zullen kinderen van een jaar of twaalf straks ook zeggen dat ze net als Gerard van Velde willen worden. Pas als dat aanslaat, kun je in de gewesten sprintcoaches gaan aanstellen. Zonder toppers is dat niet te doen. Erkenning krijg je alleen als je wint. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar.”

Jos Valentijn, een van de weinige Nederlandse sprinters die weet hoe het voelt om internationaal op het erepodium te staan, gaf begin dit jaar hoog op van Van Velde. De nummer twee van het WK in 1973 plaatste wel een kanttekening: “Een sprinter moet cool en agressief zijn, maar dat mist Gerard.” Mueller neemt het op voor zijn pupil. “Ik geloof niet dat er een stereotype voor een sprinter bestaat. Je kunt niet zeggen, met die eigenschappen kun je een goede sprinter worden. Natuurlijk moet je wel talent hebben, hard werken en op de juiste momenten een beetje geluk hebben. En in jezelf geloven.”

Zijn aanstelling in Nederland is voor Mueller de vervulling van een droomwens. “Nederland is een schaatsgrootmacht. Als je aan schaatsen denkt, denk je aan de Nederlanders. Ard Sjenk, Kees Verkurk. Zeker, er zijn ook goeie sprinters geweest. Ik heb destijds tegen Jos Valentijn gereden, Eppie Bleeker, Jan Ykema. Maar Nederland heeft geen traditie op dat gebied. Er waren nooit verscheidene goede sprinters in één periode, zoals dat bij het allroundschaatsen wel het geval is.”

In het Vikingschip in Hamar polste de schaatsbond of Mueller interesse had om de sprinters in Nederland naar een hoger niveau te tillen. Dat was in maart. Twee maanden later, na een vakantie in Arizona, was Mueller als eerste buitenlandse coach verbonden aan de Koninklijke Nederlandsche Schaatsenrijders Bond. Nog diezelfde maand trok hij zich met Gerard van Velde, Jakko Jan Leeuwangh, Andrea Nuyt en Sandra Zwolle terug in de bossen bij Epe.

Trainers en schaatsers hadden al jaren om een sprinttrainer uit het buitenland geroepen. De sprint was altijd het stiefkind, kennis over de sprint ontbrak. Een potentiële wereldkampioen als Van Velde kreeg niet de begeleiding die hij nodig heeft om uit te groeien tot een kampioen. Geld om zich voor te bereiden op het snelle ijs in Calgary was er vorig jaar niet, dus betaalde hij twee oefentrips naar de Olympic Oval maar uit eigen zak. De bond kijkt nu niet meer op een gulden meer of minder, stelt Mueller vast. “Al mijn verzoeken zijn gehonoreerd. We trainden in Calgary, Milwaukee en omdat het moeilijk was hier op ijs te trainen konden we onlangs ook naar Inzell. De bond is goed voor ons geweest, het is nu aan de schaatsers om resultaten neer te zetten.”

Mueller vindt het vreemd dat Nederland goede faciliteiten heeft voor schaatsers, maar dat de sporters er amper terecht kunnen. “Omdat in Nederland zoveel recreanten rijden, kan je er met een ploeg hooguit één uur per dag terecht. Dat is natuurlijk niet genoeg. In Inzell ligt de baan er alleen voor hardschaatsers, net als in Milwaukee en Calgary. Zes tot acht uur per dag vrij ijs is belangrijk.”

Op zijn voorgangers, Floor van Leeuwen bij de mannen en Leen Pfrommer bij de vrouwen, wenst Mueller geen kritiek te leveren. “Ik weet iets van wat ze hebben gedaan. Maar dat interesseert me eigenlijk niet. Ik heb een plan waarvan ik denk dat het uitgevoerd moet worden en zo zal het gebeuren. Ik weet ook dat het werkt. Ik heb veel verschillende atleten getraind en de resultaten zijn altijd tamelijk goed geweest.”

“Tot nu toe hebben ze alles nog gedaan wat ik ze gevraagd heb”, zegt Mueller over de trainingen van zijn sprintkwartet. “Ik weet zeker dat ze niet overal happy mee zijn. Maar hun reacties waren altijd positief. Daar ben ik tevreden over. We hebben in de zomer en het najaar acht weken getraind in Milwaukee, en elf dagen in Calgary en daar hebben ze veel nieuwe dingen moeten doen. Veel intervalwerk. Niet één of twee keer per week, maar soms wel zes of zeven intervalprogramma's per week, zowel op het land als op het ijs.”

Bestaat het ideale lichaam voor een sprinter? Nee, zegt Mueller resoluut. De Japanner Shimizu, die in maart het wereldrecord op de 500 meter op 35,39 seconden zette, meet slechts 1 meter 62. “Shimizu is een klein kereltje dat kan vliegen, vol talent. Als je klein bent, heb je voordeel van de korte hoeken die je maakt en hoef je niet zo veel spiermassa omhoog te houden. Ik heb liever te maken met een grote, sterke, lange vent. Die is fysiek sterker en heeft een langere slag, kan zich beter afzetten. In de bochten maakt het geen verschil of je lang of klein bent; dat is een kwestie van techniek.”

Net als Dan Jansen, in 1994 olympisch kampioen op de 1.000 meter, wil Gerard van Velde nog wel eens op cruciale momenten in bochten onderuit gaan. Jansen viel op de 500 en de 1.000 meter van de Spelen in Calgary, op de WK begin dit jaar in Heerenveen slaagde Van Velde er niet in om tijdens zijn eerste 500 meter overeind te blijven. Toen Mueller woensdagavond met zijn vier pupillen terugkeerde van het trainingskamp in Inzell, zag hij toevallig een herhaling van een vallende (1988) en gloriërende (1994) Dan Jansen bij Studio Sport. “Bij Gerard had het vallen vooral technische oorzaken. Bij DJ was er iets anders aan de hand. Dat had te maken met zijn zus, die ernstig ziek was. Zijn zus overleed op de dag dat hij de 500 meter reed. Er ging dus van alles in zijn hoofd om.”

Er is deze zomer al het nodige aan de techniek van Van Velde geschaafd. Op details wil Mueller niet ingaan. “Wacht de eerste World-Cupwedstrijden maar af. Ik zie nu al een veel vloeiender Van Velde. In maart zou hij in calgary een wereldrecord op de 1.000 meter moeten kunnen schaatsen. Maar als Gerard bijvoorbeeld in Innsbruck 1.21 schaatst en Miyabe 1.23, dan heeft hij goed gereden en dan interesseert de tijd me niet.” Begin dit jaar voorspelde Rintje Ritsma's coach Wopke de Vegt dat Van Velde binnen drie jaar wereldkampioen wordt. “Mijn contract loopt maar twee jaar, dus het moet maar in die tijd gebeuren”, zegt Mueller.

Hoewel alle ogen op Van Velde zijn gericht, is Mueller ook enthousiast over de drie andere sprinters: “Jakko Jan Leeuwangh wordt elke dag beter. Een leuke jongen om mee te werken. Hij is jong, moet nog veel leren, veel ervaring opdoen op de 500 meter. Maar hij heeft veel mogelijkheden en hij heeft Gerard als voorbeeld. Andrea Nuyt is een groot talent. Schaatst erg goed, is strijdlustig. Ze heeft een spier verrekt en daardoor kon ze in Inzell niet voluit gaan. Maar ze is jong en hongerig. Sandra Zwolle heeft al een reputatie op het gebied van de sprint. Ze kan nog beter. Zij komt terug.”

De beste vrouwelijke sprinter van het land, Annamarie Thomas, zit bij de allrounders. Bij de WK sprint eindigde ze dit jaar als vijfde. Mueller zou haar er op weg naar Nagano graag bij hebben, maar omdat allround-schaatsen nu eenmaal populairder is in Nederland, kan hij zich voorstellen dat de wereldkampioene op de 1.000 en 1.500 meter voorlopig als allrounder verder gaat.

Mueller blijft in elk geval tot en met de Olympische Spelen van Nagano in 1998 aan de sprintploeg verbonden. In tegenstelling tot voorheen bestaat die ploeg uit mannen en vrouwen. “Er zijn altijd wat problemen als mannen en vrouwen samenleven”, zegt Mueller over de vele dagen die de vijf samen optrekken. “Het heeft ook voordelen, vooral voor de vrouwen. Doordat ze met de mannen trainen, gaan ze sneller dan ooit.” Het voordeel voor de mannen? Lachend: “De vrouwen ruimen het huis op en ze doen de afwas.” Maar zo rolbevestigend gaat het er op trainingskamp ook weer niet aan toe. “Ik kook het eten”, zegt Mueller. “We zijn een grote blije familie.”

    • Ward op den Brouw