Douchetocht

'TOT VOOR KORT gebruikten wij in onze badkamer een dik, zwaar douchegordijn om de douchegelegenheid af te scheiden en daarbij is ons nooits iets bijzonders opgevallen.'' Dat was de onheilspellende beginzin van een brief uit Nieuwerkerk a/d IJssel die anderhalf jaar geleden arriveerde.

“Maar sinds kort hebben wij een ander douchegordijn van aanzienlijk dunnere kwaliteit en nu valt ons op dat het vrij sterk neigt in de richting vanwaar gedoucht wordt. Zodra in een onverwarmde badkamer wordt gedoucht, wordt de douchende persoon verblijd met een zeer aanhankelijk gordijn.”

Het is een bekend probleem dat niet alleen a/d IJssel optreedt, maar zelfs in het verre Zwitserland is waargenomen, want al eerder bezorgde een anonieme lezer een knipsel uit de Folio-bijlage van de Neue Zürcher Zeitung (juni 1993) waarin de vreemde gewoonten van de Duschvorhang ook al aandacht krijgen. Bovendien was er een vage herinnering aan de behandeling van het thema in Scientific American.

De lezer a/d IJssel gaf zelf geen verklaring voor zijn waarneming, maar liet tussen de regels merken dat hij denkt aan een warmte-effect. Is zaterdagavond geleidelijk aan de gehele badkamer opgewarmd, “dan neemt het verschijnsel weer af”. Het aardige is dat de NZZ juist eerder gelooft in een stromingseffect. Het vallende water sleurt lucht mee en doet een luchtbeweging ontstaan die volgens het bekende theorema van de Groninger Daniël Bernoulli (1738) gepaard gaat met een luchtdrukdaling. De grotere omgevingsdruk duwt het gordijn dan naar binnen. Blaas hard tussen twee vrijhangende vloeitjes of pingpongballen en ze botsten tegen elkaar.

De Zürcher Zeitung weet zelfs waaròm er nauwelijks een warmte-effect is: vochtige lucht is lichter dan droge lucht, omdat watermoleculen lichter zijn dan luchtmoleculen. 'Wer denkt schon daran?'

Een controverse, dus, die schreeuwt om een experimentele benadering. Probleem is dat zelfs in daglonershuisjes het vrijhangende kunststof douchegordijn inmiddels is vervangen door een stel wegschuifbare, deugdelijk ingeklemde plastic schotten. Bovendien is er weinig denkkracht voor nodig om in te zien dat het beslissende experiment zou bestaan uit langdurig koud douchen. Zo kwam het dat besloten werd een douchecel in het klein na te bouwen: minidouchecel met minivoorhang.

Na wat verkennende vingeroefeningen is het celmodel uiteindelijk opgetrokken uit polystyreen panelen met afmetingen van 20 bij 40 centimeter en een dikte van ongeveer 4 millimeter. (Dikker was fijner geweest). De panelen zijn met een broodmes gesneden uit een stel piepschuimplaten dat onbeheerd in een vuilcontainer was achtergelaten. Jaren-zestig-plafonnetje.

De platen zijn aan elkaar bevestigd met ingekorte satéstokjes, hoewel cocktailprikkers, ja zelfs lucifershoutjes net zo geschikt zijn. Het douchegordijn, dat zijdelings tamelijk nauw tussen de panelen past, is geknipt uit een polyetheen boodschappentas. De voorhangonderzijde hangt een paar centimeter boven de vloer, net als in het echt. De omslag waar de roe doorheen moet is met nietjes vastgezet. De roe is een fietsspaak. Wie niet uitsluitend linkerhanden heeft is binnen tien minuten klaar.

Het kwetsbare gevalletje werd behoedzaam in de gootsteen midden onder de slappe tuit van de Fasto-geiser geplaatst. Toen kon de stromingstheorie worden getoetst en het resultaat was onmiddellijk overtuigend: ging de koudwaterkraan wijd open dan dook het albertheijngordijn resoluut naar binnen. Ging de kraan weer dicht dan zakte hij zonder aarzelen terug in de vertikale stand. En dat keer op keer, zonder mankeren.

Hoe de luchtstroom die de waterstraal kennelijk opwekt precies loopt werd niet duidelijk. Toen de minicel later op tafel kwam te staan en terloops via de bovenopening werd aangeblazen (wat een nog overtuigender gordijnbeweging opleverde), kreeg de experimentator de eigen adem krachtig in het gezicht terug. Waarschijnlijk ontstaat een min of meer chaotische turbulentie. Het lijkt aannemelijk dat het veel uitmaakt of een douchecel aan de bovenzijde open is of niet.

Nu het van Zwitserse zijde wegberedeneerde warmte-effect, dat je ook een 'convectie-effect' zou kunnen noemen. Warme lucht heeft een geringere dichtheid dan koude en heeft daardoor de neiging naar boven weg te stromen. Aanvankelijk was de minicel half zo hoog als hij uiteindelijk is geworden (wat een bouwhistoricus nog aan de typisch bouw kan zien) en bleven warmteproeven zonder resultaat. Zelfs in de uiteindelijke dubbele uitvoering gebeurde er niet veel als heet water door het hart van de constructie klaterde.

Dat veranderde toen de hete waterstraal in een kalme rondgaande beweging langs de drie piepschuimen muren werd geleid. Dit mechanisme leidde kennelijk tot een zoveel betere overdracht van warmte naar kabinelucht dat het gordijn overtuigend naar binnen woei. De finishing touch kwam van de benatting van het douchegordijn zelf: daarmee sloeg het pardoes tegen de polystyrenen overkant. Het warmte-effect onderscheidt zich duidelijk van het stromings-effect in de traagheid waarmee het optreedt. Lang nadat de heetwaterkraan is dichtgedraaid staat het douchegordijn nog naar binnen toe.

Veel meer leek er niet te doen, al valt niet uit te sluiten dat er nog een derde effect is: een elektrostatisch effect. Zelfs in natte toestand vertoonde het polyetheen gordijn de hinderlijke neiging aan wanden en dergelijke te kleven. Het is bovendien bekend dat vallende waterdruppels zich al naar gelang hun afmetingen positief of negatief opladen. Het 'Lenard-effect' is waarschijnlijk beter in een oversize douchecel te bestuderen.