De wereldvoedselparadox; Groter huishouden besteedt minder aan eten en drinken

Hoe groter het huishouden, des te meer er in theorie aan voedsel kan worden uitgegeven. De praktijk is anders, met name in de ont- wikkelingslanden.

WANNEER STUDENTEN een woongroep stichten of vrijgezellen tot samenhokken besluiten, levert dat behalve een vracht gezelligheid en ruzie ook economisch schaalvoordeel op. Wasmachine, strijkijzer, koelkast en grasmaaier hoeven maar één keer te worden aangeschaft, één krant volstaat en er kan woonruimte worden opgezegd. Dus blijft er geld over voor leuke dingen en voor fatsoenlijk eten. In ontwikkelingslanden, waar de honger dikwijls nabij is (of erger), ligt het daarom voor de hand dat in grotere huishoudens bij gelijkblijvend inkomen per hoofd er meer wordt uitgegeven aan voedsel.

De praktijk is anders, zo vond Angus Deaton, hoogleraar economie te Princeton. De Amerikaan spitte in recente gegevens over het bestedingspatroon van huishoudens in Thailand, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten, Groot-Brittanië, Frankrijk en Taiwan en kwam tot de opmerkelijke conclusie, dat in grote huishoudens de individuele voedselconsumptie juist daalt en wel des te sterker in arme landen. Afgelopen dinsdag sprak Deaton in Amsterdam over 'Economies of Scale, Household Size, and the Demand for Food' ter opluistering van het tienjarig bestaan van NAKE, het Netwerk Algemene en Kwantitatieve Economie dat op landelijk niveau onderwijs voor promovendi verzorgt.

“Altijd hebben we de fractie van het budget bestemd voor voedsel als een goede indicator beschouwd voor menselijk welbevinden”, zegt Deaton na afloop van de lezing. “Zo geldt voor huishoudens van gelijke grootte dat naarmate de rijkdom toeneemt, er procentueel minder aan voedsel wordt gespendeerd. Maar het idee dat huishoudens van verschillende grootte die dezelfde fractie van hun inkomen aan voedsel besteden evengoed af zijn, is onhoudbaar. Er wordt dan voorbijgegaan aan het feit dat de voedselconsumptie in grote huishoudens per hoofd daalt.”

Deaton, die onder andere in India en Zuid-Afrika heeft gewerkt, begon zijn onderzoek naar huishoudens en voedselconsumptie om meer grip te krijgen op het begrip armoede. “Organisaties als de Wereldbank willen graag weten welk bevolkingspercentage in een land onder de armoedegrens verkeert en om hoeveel kinderen of ouderen het gaat. Ook Amerika stelt die cijfers jaarlijks vast en ze hebben een enorm gewicht bij beleidsmakers. Het probleem met deze data is dat ze achteraf worden geconstrueerd op basis van gezinsstatistieken die oorspronkelijk vergaard zijn om prijs- of kostenindices vast te stellen, en niet uitgaande van gegevens over individuen.”

Wat een gezin als geheel spendeert zegt weinig over de armoede van de leden van dat gezin. Deaton: “Wat moet je als maat nemen? Kijk je - kinderen voor het gemak buiten beschouwing gelaten - naar het inkomen per capita, dan zijn grote families altijd armer. Maar ga je uit van het totaalinkomen, dan zijn ze juist rijker. Die keuze is mechanisch en heeft weinig met wetenschap uit te staan. Moet de Wereldbank nu de grote of de kleine huishoudens te hulp schieten? Om die reden wilde ik het effect van schaalvoordeel bij toenemende gezinsgrootte onderzoeken, om zo de cijfers op adequate wijze te kunnen corrigeren. Ik verwachtte dat economisch schaalvoordeel meer voedselconsumptie zou opleveren. Maar die consumptie ging juist omlaag en het hele project om armoede beter te alloceren is stopgezet.”

RAADSEL

De onverwachte uitkomst stelt Deaton vooralsnog voor een raadsel. Aan de kwaliteit van de data kan het volgens de Amerikaan niet liggen; die zijn hoogstens tien jaar oud en in het geval van Zuid-Afrika en Pakistan verzameld door de Wereldbank zelf. Ook komen er in de analyses geen ingewikkelde (dubieuze) economische modellen om de hoek kijken, of buitenissige vormen van data-analyse. Deaton: “Ik meen te kunnen zeggen dat mijn uitkomsten tamelijk robuust zijn.”

En dus ligt er een probleem. Deaton: “Als het effect in de rijke landen nu het sterkst was geweest, lag de verklaring eenvoudiger. Dan zou je kunnen zeggen: als twee vrijgezellen trouwen, gaan ze minder vaak uit eten in dure restaurants en is het niet meer dan logisch dat de fractie van het inkomen dat naar voedsel gaat, daalt. Maar het effect in de rijke landen is juist bescheiden, misschien wel niet-significant. Het zijn juist de arme landen waar de voedselconsumptie in grote families bij gelijkblijvend inkomen opmerkelijk daalt.”

VERMAAK

Inmiddels zijn de nodige verklaringen voor deze voedselparadox geopperd. Zo zouden arme mensen beter op de voedselprijzen letten. Deaton: “Altijd zijn we ervan uitgegaan dat mensen die op de armoedegrens zitten voedsel niet zullen inruilen voor kleding, scholing of vermaak. Maar is dat wel zo? Natuurlijk willen ze meer voedsel, denken wij, dus als de voedselprijzen stijgen en andere producten worden goedkoper, voelen wij westerlingen ons onprettig bij de gedachte dat er minder eten wordt gekocht. Maar het zou weleens zo kunnen zijn dat mensen in ontwikkelingslanden zich bij zo'n afweging minder ongelukkig voelen dan wij denken, dat prijselasticiteit ook in die situatie opgaat.”

Er is gesuggereerd dat de wijze van enquêteren het probleem zou kunnen zijn: wanneer één persoon namens de hele familie antwoordt, is het logisch te denken dat naarmate die familie groter is, er meer wordt vergeten. Dat mag voor ontspanning opgaan, voor eten en drinken lijkt zoiets juist onwaarschijnlijk. Een andere mogelijke verklaring is dat degene die zwaar werk verrichten meer eten, en dat in grote huishoudens verhoudingsgewijs minder aan zwaar werk wordt gedaan. Maar de gegevens van Taiwan, waar families uit rurale en verstedelijkte gebieden apart zijn bekeken, steunen deze hypothese niet. Deaton: “Wat nog nauwelijk is onderzocht, is de vraag wat de familiegrootte nu bepaalt. Het lijkt of wij in een experiment grotere families maken en kijken wat er bij gelijkblijvend inkomen per capita met het voedsel gebeurt. In feite zoeken we selectief in databestanden. Misschien liggen aan de familiegroottes keuzen ten grondslag die correleren met voedselconsumptie. Hoe dan ook, het oplossen van de voedselparadox zal behoorlijk fundamenteel onderzoek vergen.”