De dilemma's van het natuurmanagement; Het haas als delfstof

Jagend Nederland vreest voor de toekomst. Volgens de nieuwe Flora- en faunawet zouden nog maar zes diersoorten mogen worden geschoten. Veel te weinig om zijn taak als natuurbeheerder uit te oefenen, vindt de jager. Zes te veel, vindt de dierenbeschermer. Die ziet een ree liever doodhongeren dan afgeschoten worden. De jager belichaamt het dilemma tussen ratio en romantiek.

Met een luie bocht klimt een vrachtjumbo door de zonsopgang. Als hij is verdwenen is het weer oorverdovend stil op het water, en ijskoud. Een vlucht smienten, strak in formatie, strijkt ruisend neer.

Jachtopziener Jaap Wansink stuurt zijn vlet tussen de rietkragen in dit afgesloten deel van de Nieuwkoopse Plassen en wijst. Naar de kuifeenden die je altijd herkent omdat ze, anders dan gewone wilde eenden, niet meteen loskomen van het water maar “omhoog lopen”. Naar de watersnippen, op jachtdagen vaste prik bij de lunch, maar nu beschermd. En naar de bruine kiekendief, die zijn vader en grootvader nog graag op loodhagel tracteerden omdat ze hem een concurrent vonden, maar die Wansink met zijn baltscapriolen elk voorjaar vrolijk maakt. Ook beschermd, gelukkig.

Helaas, zijn eigen dagen als jachtopziener zijn geteld, zegt Wansink. Zijn werkgever, een zakenman uit Blaricum die deze driehonderd hectare twintig jaar geleden verkocht aan de Nederlandse Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, bedong destijds dat hij er levenslang mocht blijven jagen. Maar hij is al 77 en Wansink twijfelt er niet aan dat Natuurmonumenten ook hier de jacht zal sluiten, zoals op de meeste van haar terreinen.

Als er dan überhaupt nog op waterwild gejaagd mag worden. Want schieten mag dit jaar alleen nog op de smient en de wilde eend - acht eendensoorten minder dan het vorige seizoen - en als de Tweede Kamer de nieuwe Flora- en Faunawet goedkeurt, blijft daarvan alleen de laatste over.

Na veertig jaar roeien tussen zijn vogels weet Wansink een paar dingen zeker. Een daarvan is dit: “Zonder de jacht zou dit natuurgebied allang zijn verdwenen. Omdat hier hooguit acht dagen per jaar op eenden wordt gejaagd, is er de rest van het jaar zorg en rust en bewaking. Alleen daarom kon hier de grootste kolonie purperreigers van Europa nestelen. Nu schaffen ze de jacht langzaam af, maar er komt niets voor in de plaats. Ja, een ambtenaar achter een bureau in Den Haag. Als de laatste reigers en sterns zijn opgegeten bedenkt die misschien dat er tóch iets aan de vossen gedaan moet worden.”

Een eend met een lamme vleugel fladdert langs de kant. “Aangeschoten, ik denk een paar weken geleden”, stelt Wansink vast. “Dat gebeurt helaas ook. Maar als ik alles afweeg, winnen de voordelen het van de nadelen. Juist omdat we allemaal die ene roerdomp willen zien, moet er een man in het veld zijn die beheert. En een goeie jachtopziener laat de natuur altijd boven jachtbelangen prevaleren, ook al is zijn baas daar niet altijd blij mee.”

Jaap Wansink kijkt nog eens naar de lucht. Hij heeft niet lang hoeven nadenken toen er een vacature kwam bij de Nieuwkoopse politie. Op 1 november is hij er begonnen - voor halve dagen, voorlopig.

Jagend Nederland vreest voor zijn toekomst. De mannen-in-het-groen zijn boos op minister Van Aartsen (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), die in zijn nieuwe Flora- en faunawet heeft voorgesteld het aantal bejaagbare diersoorten sterk te beperken. Als hij zijn zin krijgt, mogen volgend jaar nog maar zes van de huidige 29 diersoorten bejaagd worden. Alleen haas ('het haas', zoals de jager zegt), fazant, konijn, houtduif, patrijs en wilde eend zijn dan nog 'wild'. De rest is 'beschermde fauna'. Die kan alleen geschoten worden met een afschotvergunning, zoals ook nu al bij groot wild, of met een ontheffing in het geval van economische schade, gevaar voor de veiligheid of gezondheidsrisico's.

Zo wordt hun liefhebberij gesmoord in regels en bepalingen, zeggen de jagers. Bij de opening van hun seizoen, op 15 oktober, kwamen daarom circa vierduizend van de dertigduizend Nederlandse jagers in Den Haag bijeen. In loden jassen, knickerbockers en waxcoats, onder tweedpetten en hoedjes-met-gemzeveer luchtten de leden van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV) door jachthoorns en megafoons hun woedde over het wetsvoorstel.

Toen niemand zich nog zorgen maakte over de natuur, was jagen vanzelfsprekend. Je zou kunnen zeggen dat jagers bij de natuur hoorden. Die tijd is voorbij. Jagers veranderen de natuur; dat vindt de rest van Nederland al langer en zelf vinden zij het nu ook. Daarom willen zij zich verantwoorden: ze beleven niet alleen plezier maar zijn ook nuttig, zeggen ze. En daarom moet de minister de jagers met rust laten, dat is beter voor de natuur. Maar het wordt wel steeds moeilijker om dat uit te leggen: de meeste Nederlanders geloven namelijk niet dat iemand de natuur helpt door wilde dieren dood te maken.

Scharrelvlees

De natuur kan niet zonder jagers, zegt KNJV-woordvoerder Zweitse Lulof in zijn Amersfoortse kantoor met uitzicht over golfplaten daken en een autoweg. “Nederland dankt veel natuurgebieden aan het feit dat ze beheerd werden en worden voor de jacht. Jagers doen buiten het seizoen aan biotoopverbetering: zij onderhouden houtwallen, graven drinkpoelen uit en plaatsen jaarlijks honderden bordjes met 'overstekend wild'. Als je jagers wilt blijven motiveren om dat werk te doen, zul je ze niet alles moeten afnemen. Het evenwicht tussen rechten en plichten raakt nu zoek.”

Met een scheef oog naar de Tweede Kamer, die zich nu bezint op de nieuwe wet, probeert ook de - aan de KNJV gelieerde - Stichting Actief Faunabeheer (SAF) de jacht een groener gezicht te geven: 'Het beste scharrelvlees ligt bij de poelier', en: 'Een vos bij je vuilnisbak, is dat natuur?', aldus een paar van de teksten waarmee de stichting de afgelopen weken in dagbladen adverteerde.

“Er is niets op tegen om een dier uit de natuur weg te nemen, zolang de soort maar geen gevaar loopt”, zegt de voorzitter van de SAF, oud-bankier jhr.mr. F.J. Loudon. En om het ene dier te beschermen tegen het andere is jagen vaak onontkoombaar. “Wat jagers doen is hetzij goed, hetzij neutraal voor de natuur, maar nooit slecht. Wie principieel tegen het doden van dieren is heeft het volste recht tegen de jacht zijn, maar moet wel vegetariër worden.”

De natuur kan heel wel zonder jagen, vinden de Stichting Kritisch Faunabeheer (SKF) en de Dierenbescherming, twee principiële tegenstemmen. Want de meerderheid van de Nederlanders is ertegen, het veroorzaakt dierenleed en de orde die jagers in de natuur aanbrengen is in werkelijkheid een verstoring. Beide organisaties vinden de nieuwe wet nog veel te soepel: ieder dier hoort beschermd te zijn en alleen onder uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. “De bewijslast moet worden omgekeerd”, zegt Rita Stockmann, bestuurslid van SKF en vegetariër. “Voordat je dieren uit het wild doodt of benut, moet je je afvragen of dat verantwoord en gerechtvaardigd is”, zegt ook Diederik van Liere, beleidsmedewerker van de Dierenbescherming en bioloog. “Bezinnen is preventief - het leidt tot minder maatschappelijke en biologische problemen. Dieren doden sec voor je plezier is geen reden. Wise use, het 'oogstprincipe' is ook een luchtballon. Men zegt: er zijn te veel reeën, vossen of kraaien. Wie bepaalt dat? De belanghebbende meestal. Ten eerste is onduidelijk welke schade die dieren doen aan landbouw of andere populaties; in elk geval keert de overheid jaarlijks niet meer dan zes miljoen gulden aan schadevergoedingen uit. En ten tweede is niet duidelijk hoe effectief het jachtgeweer daarbij is.”

Kan de natuur zonder jagers? Ja en nee, zegt de nieuwe wet. Ieder dier krijgt een 'intrinsieke waarde' die zijn beschermde status garandeert. Maar voor de haas en zijn vijf vrienden is op de Ark van Noach nog geen plaats. En bij zwaarwegende belangen - steeds van de mens - kunnen de geredde beesten kennelijk weer overboord worden gezet. Nee, vossen zullen wel geen 'paars' meer stemmen.

Mag je jagen voor je plezier? Jagers bedekken hun passie met dikke lagen rationeel vernis. En sommige natuurbeschermers vinden jagen bovenal een bloeddorstige, elitaire hobby. Zo praten ze langs elkaar heen, de jager die vindt dat hij in zíjn veld op zíjn dieren mag schieten, en de natuurbeschermer die vindt dat het zijn dieren niet zijn. Zo staan ze tegenover elkaar: degene die het wild als ding beschouwt, een delfstof bijna; en degene voor wie elk dier een individu is, bijna een mens. Zo botst jaagbaar op aaibaar, het haas op de haas.

Haar- en veerwild

Nooit geweten dat hazen zoveel geluid konden maken. 'Huilen' heet dat in het jargon. De jager-jagerman heeft er geen geschoten maar zijn Duitse staander heeft er wel een tussen de tanden. Jan Zevenbergen pakt de haas en inspecteert hem geroutineerd. Een wijd-open oranje oog met zwarte pupil staart terug. Hij mankeert niets, zo te zien. Zevenbergen zet het dier weer tussen de spruiten. De haas rilt even en stuift er dan als in een tekenfilm vandoor.

Links een snelweg, rechts een hoogspanningsleiding, in het noorden rookpluimen van Pernis en aan het Haringvliet in het zuiden malen langzaam windturbines. Begin november, een zaterdagmorgen in de Hoekse Waard. Zevenbergen en zijn vaste gezelschap van boeren, fruittelers en een verdwaalde tandarts jagen al een jaar of dertig in deze polder, tussen hun eigen bieten, aardappels en perenbomen en tussen die van niet-jagende boeren, die zij daarvoor betalen. Het is een vast ritueel. 's Ochtends komen zij bijeen in een keet, met koffie en koek, laarzen buiten, geweren in een rek. Jagermeester Zevenbergen verdeelt de taken, introduceert jagers en drijvers en neemt de regels nog eens door - “iedereen heeft zijn jachtakte bij zich” en “beter een gemiste kans dan een onveilig schot”. Dan gaan ze op weg naar de eerste drift.

Formeel zijn de jagers verantwoordelijk voor het voorkomen van wildschade, maar de marktwaarde van aangevreten groen is niet hun voornaamste motief. “Voorop staat dat het leuk is; het is geen corvee”, zegt Arie Vrijlandt, die appels en peren teelt. Daarom schieten zij niet álle fazanten, en nemen zij vooral hanen op de korrel. Want de hennen moeten zorgen dat er volgend jaar óók nog iets te jagen valt.

Wat dat betreft zal de nieuwe wet weinig veranderen. Volgend jaar zullen in de Hoekse Waard nog steeds fazanten neertuimelen in een wolk van veren en zullen hazen de dood vinden in een knollenveld. Maar de kraai, de gaai en de ekster, vogelvrij onder het oude bestel - die mogen ze onder het nieuwe geen veer meer krenken. Dat is jammer, vinden de fruittelers, en ook dom. Want niet alleen pikt de kraai graag in een Elstar-appel of een Doyenné du Comice-peertje, hij houdt ook erg van jonge mees.

“In de fruitteelt gebruiken we vrijwel geen insecticiden meer en dat is goed”, zegt Zevenbergen. “Dat geeft veel rupsen, maar als je voldoende mezen laat nestelen is dat geen probleem. We hebben ook weinig last meer van muizen sinds we nestkasten voor torenvalken hebben opgehangen. Maar de kraaien die we vroeger schoten moeten we zeker de mezennesten laten leegeten? Tien jaar geleden zag je hier geen kraai, maar sinds de uitbreiding van Rotterdam naar het zuiden wemelt het er van. We willen ze echt niet allemaal afschieten, maar je moet toch de schade kunnen beperken? Wat wil de minister nu eigenlijk?”

's Avonds ligt er een tableau van 23 fazantehanen, vijf -hennen, een eend, twee hazen en zeven houtduiven bij de keet. De jagermeester vraagt twee jagers om op een hoorn het haarwild en het veerwild met de passende signalen “dood te blazen, uit respect voor wat we vandaag uit de natuur hebben geoogst”. De paar gesneuvelde kraaien liggen er niet bij.

Afschotquota

Toeterende jagers houden Jozias van Aartsen niet uit de slaap. Na ruim twee jaar Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voelt hij zich “gepokt en gemazeld op actiegebied”, zegt de minister met een glimlach. Maar soms tikken de knopen in zijn dubbele manchetten fel op het tafelblad. “Ik zou het betreuren als dit dossier opnieuw moet worden overgedragen aan een volgende minister.”

Helemaal ondenkbaar is dat niet, want voorlopig ligt het wetsontwerp ook van andere kanten onder vuur: vanuit de anti-jachtlobby die in de Tweede Kamer willige oren vindt, vanuit een deel van zijn eigen VVD-achterban onder aanvoering van Eerste Kamerlid en jager Hans Wiegel, van de Dierenbescherming en vanuit het agrarische, jagersvriendelijke deel van het CDA, dat om een nieuwe toetsing van het voorstel door de Raad van State vraagt.

Eén ding staat wel vast: het dier heeft een hogere status gekregen. Dat zegt volgens Van Aartsen iets over “de graad van samenleven die we in het Westen hebben bereikt”, maar het heeft vooral te maken met “de omvang van ons grondgebied”. “We zitten hier bovenop elkaar en echte wilde natuur bestaat in wezen niet. Daarom moeten we ons over een brede range afvragen: hoe gaan we met inrichtingsvraagstukken om?”

De doorsnee Nederlander is een stadsbewoner die weinig directe kennis meer heeft van de natuur, zegt Van Aartsen. “Maar juist dan stijgt de behoefte daaraan. Het zou daarom veel verstandiger zijn als de jagers bij die trend aansluiting zoeken in plaats van, zoals nu, ietwat demagogisch campagne te voeren. Want er gaapt nog een diepe psychologische kloof tussen hen en de rest van Nederland.

“Jacht mág in Nederland. Dat is een gegeven, al wordt het beeld opgehangen dat de jacht wordt verboden en dat de jagersgemeenschap in een hoek wordt gedweild. Dat is niet aan de orde. Maar wel dat je het element verantwoording doet toenemen, dat je de jacht probeert te rationaliseren.

“Ik begrijp hun verzet niet. Met hun 'wildbeheereenheden' [waarin jagers samen met de overheid afschotquota bepalen, red.] zijn ze nota bene zelf die weg opgegaan. Het is waar, ik ga een streep verder: dat betekent dat een aantal dingen niet meer mag, maar de zes soorten die bejaagbaar blijven omvatten negentig procent van de Nederlandse jachtbuit - waar hebben we het dan over?

“Sommige mensen vinden dat je principieel niet op een dier mag schieten - ik vind dat niet, want dat zou betekenen dat je niet in de natuur kan ingrijpen. Aan de andere kant hoor je: we moeten onze gang kunnen gaan, wat denkt die overheid wel? Kritisch Faunabeheer en de KNJV - om de onverzettelijke extremen te noemen - bevinden zich in een een merkwaardig bondgenootschap tegen de minister. Ik zou willen dat die zich eens gingen verdiepen in wat er nu werkelijk in dat wetsontwerp staat. We slepen dit dossier al sinds 1975 met ons mee. We kunnen er toch niet langer dan twintig jaar mee blijven rond-otteren? Ik ben niet pro-jacht en niet anti-jacht. Als dogmaticus kom je bij dit onderwerp niet ver. Ik wil alleen dat het nu goed geregeld wordt.”

De Flora- en faunawet spreekt, net als de oude Jachtwet, nog steeds over het 'genot van de jacht'. “Dat is het precies!”, grinnikt A.A.F.C. Graaf van Lynden van Sandenburg, oud-bestuurder van verscheidene Nederlandse verenigingen van paardenvrienden en sinds 1994 “totale VUT'er”. Zijn familie jaagt sinds mensenheugenis op enkele honderden hectares aan de Langbroeker Wetering, een vaart onder aan de Utrechtse Heuvelrug. Daar woont Van Lynden ook, op Wallenburg, een voormalige middeleeuwse woontoren waar de tijd maar weinig aan heeft veranderd.

“Het is een enorm voorrecht in je eigen jachtveld te wonen”, zegt hij onder de geweien boven zijn schouw, in de enige kamer waar hij van zijn vrouw mag roken. “Ik heb veel tijd om hier rond te springen. Ook al ziet men alleen die ene jachtdag, ik ben bijna eigenlijk altijd met de jacht bezig.”

Daarom twinkelen zijn ogen als hij vertelt over een “notoire stroper” die hij als jachtopziener heeft aangenomen en daarom windt hij zich op over jagers die “het bij knallen laten. Dat soort benzers zouden helemaal niet moeten jagen.”

Echte jagers staan in nauwer contact met de natuur, zegt jhr.mr. F.J. Loudon. Hij bewoont het landgoed Hardenbroek, een drassige oase van eikenlanen, hakhout en weides, niet ver van Van Lynden. “Het genot ligt in de verantwoordelijkheid die ik het hele jaar door heb voor een goede wildstand en dat culmineert in drie of vier jachtdagen. Een wandelaar, een fotograaf en een vogelepieter blijven toch altijd toeschouwer van de natuur. Maar zodra ik jaag voel ik mij deelnemer.”

Door de eeuwen heen is jagen de meest geliefde vrijetijdsbesteding geweest; geen wonder dat de klasse met de meeste vrije tijd, de aristocratie, altijd het meest heeft gejaagd, schreef de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset in zijn essay La Caza (1942) - niet helemaal zonder cirkelredenering. Toch is jagen een ernstige zaak volgens hem, met een strenge erecode die ook wordt nageleefd als de jager alleen is. Het doden is het onvermijdelijke slot, maar niet het doel van de jacht. Jagen is geen uit-de-weg-ruimen, maar bemachtigen; men doodt om gejaagd te hebben, niet omgekeerd. In dat spel “bedwingt de mens zijn vernietigende macht” en loopt opzettelijk de kans om “platzak thuis te komen”. Jagen is oer, “een vakantie van het menselijke”, schrijft Ortega y Gasset, en het geeft sommige bevoorrechten een blik in de vergeten wereld van onze instincten. Daarom heeft de ware jager “diep in zich een onrustig geweten tegenover de dood die hij het bekoorlijke dier gaat toebrengen”. Dat tekent het “dubbelzinnige” van onze verhouding met de dieren. De mensheid weet dat hij voortkomt uit de dierlijkheid, “maar hij is er niet zeker van deze overwonnen te hebben”.

Wie zich zulke vrijmoedige gedachten kan permitteren, denkt niet in termen van nut. Ze zeggen het niet hardop, maar de landed gentry ziet weinig in het utilitaristische vertoog van de KNJV-woordvoerder. Jagen koop je niet met goede werken, het is een recht. Toch komt het einde daarvan in zicht, denkt Loudon. “Eerst verbiedt de overheid de jacht in natuurgebieden. De volgende stap is elk stukje natuur uit te roepen tot beschermd gebied. Dan heb je de jacht ook uitgebannen. Het is een vorm van koude onteigening.”

Wild is per definitie schaars, maar de tijd is niet ver dat de 'vermenselijking van onze planeet' de laatste wilde dieren verjaagt en jagen 'al te kunstmatig is geworden', schrijft Ortega y Gasset. Zo bezien zijn de huidige jagersprotesten ook een symptoom van oprukkende slaapsteden en business parks. En zo krijgen jagers zelf iets van een bedreigde diersoort, een monument - van de cultuur of de natuur, het is maar hoe je het bekijkt.

De Wieden

De natuur bestaat niet, heeft W.F. Hermans geschreven. “Het is een naam die alles aanduidt [...] wat buiten de mens valt [...]. Zeggen dat de natuur een evenwicht handhaaft, of dat iets in de natuur mooi is ingericht, is hoogstens een speelse metafoor.” De aarde is een zelfregulerend organisme, zegt de Amerikaanse ecoloog James Lovelock. De natuur is bezield en vecht om de balans te handhaven die de mens verstoort.

Ergens tussen die twee natuurbeelden, het desolate van Hermans en het bijna-religieuze van de Gaia-hypothese, bevindt zich waarschijnlijk dat van de gemiddelde Nederlander. Dat geeft hem de vrijheid om een polder te asfalteren of een zeearm te sluiten maar het bezorgt hem ook een beetje wroeging en heimwee. In een land dat grotendeels is verwoonerfd en verkeersdrempeld, waar welke vierkante meter kadastraal is beschreven, is vraag naar het ongerepte.

Daarom schippert Nederland in 'groene scenario's', 'ecologische hoofdstructuren', 'cascobenaderingen landschapsbeheer' èn in de nieuwe jachtwet tussen 'gebruiksruimte' en 'milieu-eisen', tussen aanpakken en afblijven. Nederland wil immers èn bouwen èn autorijden èn boeren èn recreëren èn de laatste wilde dieren zien. Misschien liggen jagers daarom wel zo slecht: zij zijn het dilemma tussen ratio en romantiek. Bij elk schot zien we het, en dat willen we liever niet.

“Achter de groene bordjes met 'Reservaat' en 'Verboden toegang, óók voor leden van Natuurmonumenten' heerst vaak toch de menselijke orde. Dit zijn de Wieden, in Overijssel, met 5.500 hectare het grootste aaneengesloten terrein van Natuurmonumenten - en Nederland op zijn maakbaarst. Door het waterpeil in de vaarten en greppels - restant van eeuwen turfwinning - hoog te houden en door maaien en baggeren houdt de mens hier een laagveenmoeras in stand, een vluchtige overgangsvorm tussen open water en moerasbos die bij niets doen snel zou verdwijnen. Hier gedijt het zeldzame trilveen: een halve meter vegetatie op anderhalve meter water, die deint als een waterbed zodra je erop stapt. De Wieden zijn een lusthof voor vogels en insekten, maar ook voor mensen. Waterdrieblad, holpijp, draadzegge en de vleeskleurige orchis, waar vind je ze nog?

Natuurmonumenten probeert hier de fauna zo veel mogelijk aan haar lot over te laten. Alleen de vos wordt een korte periode bejaagd om zeldzame grondbroeders meer kans te geven. Verder is zelfregulatie het motto: door voedselaanbod en natuurlijke sterfte. Maar hoe natuurlijk is de sterfte onder reeën als de vegetatie het hele jaar door de mens wordt gemanaged?

“Reeën zijn ongeschikt voor een laagveenmoeras”, zegt J. Poutsma, wiens Stichting Reeënbeheer Nederland (SRN)in opdracht van Natuurmonumenten vier jaar lang de verhouding tussen voedselaanbod en de conditie van reeën heeft gemeten. Door het geringe aanbod op kritieke momenten balanceren volgens Poutsma veel volwassen reeën en alle reekalveren in De Wieden op de rand van de hongerdood.

De Wieden zijn een laatste toevluchtsoord voor de outcasts onder de Nederlandse reeën, aldus de bioloog. En omdat die diersoort inmiddels het karakter van “extensief gehouden vee” heeft, zijn wij verantwoordelijk voor hun welzijn. “Zelfregulatie kan misschien in Mongolië maar niet in Nederland. Het is strafbaar om een schaap te laten verhongeren, maar met een ree mag het kennelijk wel. Natuurmonumenten hoort zijn verantwoordelijkheid te nemen”, aldus Poutsma. En hij ziet maar één manier om het welzijn van de populatie te vergroten: een “vermindering van het aantal”. Gericht afschot van de zwakste reeën, kortom.

De Dierenbescherming griezelt bij die gedachte. “Je mag een stervend dier uit zijn lijden verlossen, maar preventief afschieten betekent dat je de natuur beter wil maken dan hij is”, zegt woordvoerder Van Liere. “Hongeren is onder reeën een natuurlijk fenomeen.” Hij ontkent dat biotopen als De Wieden zijn vereniging dwingt te kiezen tussen het individuele dier en de populatie. “Een ree in de Wieden heeft kennelijk een domme keuze gemaakt.”

“Zelfregulatie? Laat me niet lachen”, roept Jaap Dirkmaat, voorzitter van de Vereniging Das & Boom, en geen vriend van Natuurmonumenten. “Eerst hebben we met zijn allen de Nederlandse natuur naar de rand van de afgrond gedwongen en nu moeten de laatste snippers zichzelf zeker reguleren? Laten we toch geen tijd verliezen met kritiek op de jagers. Die begrijpen heel goed dat het in hun belang is natuur te behouden. Het leidt de aandacht maar af van het echte probleem: dat Nederland een voorstad van Europa wordt.”

    • Hans Steketee