DDR-wetten kunnen Krenz niet beschermen

Egon Krenz, de laatste partijleider van de DDR, gaat niet door de knieën: “gisteren niet, vandaag niet en morgen niet”, zo zei hij in een reactie op het arrestatiebevel dat donderdag tegen hem werd uitgevaardigd.

Krenz moet zich voor de rechter verantwoorden voor zijn betrokkenheid bij de dood van Oostduiters die probeerden hun land te ontvluchten. En gelet op de hoge straffen die eerder werden opgelegd aan andere DDR-politici en aan instructeurs die grensbewakers leerden hoe ze op vluchtelingen moesten schieten en mijnen moesten leggen, zou hij wel eens voor lange tijd achter de tralies kunnen verdwijnen.

Krenz vindt dat rechters in het huidige Duitsland zich niet mogen uitspreken over activiteiten die volgens het toenmalige Oostduitse recht geoorloofd waren, ja zelfs geëist werden. Het Bundesverfassungsgericht in Karlsruhe, de hoogste Duitse rechtbank die uitspraken toetst aan de grondwet, oordeelde echter deze week anders - en daarmee is in Duitsland het laatste juridische woord gesproken. Niet voor niets werd meteen na de uitspraak van het Constitutionele Hof Klaus-Dieter Baumgarten, de voormalige chef van de DDR-grenstroepen, opgepakt. Hij was al tot zes-en-een-half jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar liep nog vrij rond. Kennelijk was de rechtbank bang voor de eventuele blamage om hem bij een ongunstige uitspraak van het Hof weer te moeten laten gaan.

Het oordeel van het Hof wordt door Krenz gezien als een vorm van Siegerjustiz, het recht van de overwinnaars. “Niet alleen hebben we in Duitsland eerste- en tweederangs burgers, we hebben ook eerste- en tweederangs wetgeving”, zei de verbitterde Krenz. Hij is overigens niet in hechtenis genomen, maar moest wel zijn paspoort inleveren. Een overbodige actie, vond Krenz, die zijn proces ogenschijnlijk onbevreesd tegemoet ziet, omdat hij “niets te verbergen” zou hebben.

Krenz raakt met zijn opmerking over de tweedeling in het herenigde Duitsland een gevoelige snaar. In het oosten van Duitsland vinden velen dat de verschillen met hun westelijke landgenoten zeven jaar na de val van de Muur alleen maar groter zijn geworden. Uit een recente enquête bleek dat Oost- en West-Berlijners er niet alleen financieel heel verschillend voorstaan, maar dat ze ook verschillend eten, een ander taalgebruik bezigen en zelden met elkaar trouwen. Als Westduitse rechters in zo'n klimaat oordelen over voormalige Oostduitse staatsburgers, kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat de macht en het geld op de achtergrond meegrinniken.

Maar aan de uiteinden van de Gordiaanse knoop die het Hof in Karlsruhe met zijn uitspraak heeft doorgehakt, stonden niet overwinnaars en overwonnenen, maar formele rechtspraak en gevoel voor gerechtigheid. Een juridische grondregel zegt: nulla poena sine prae via lege poenali - iets is pas strafbaar, als het eerst strafbaar is gesteld. Dat zou Krenz en de zijnen dus vrijpleiten. Maar wie dezer dagen in Duitse kranten weer de schokkende foto ziet van Peter Fechter, die op 17 augustus 1962 bij een vluchtpoging werd aangeschoten en hangend in het prikkeldraad doodbloedde, kan zich niet voorstellen dat degenen die het schot hebben gelost, en zeker degenen die daartoe het bevel gaven, voor altijd vrijuit zouden gaan.

Het Hof verwees in zijn oordeel dan ook naar de formulering van de Duitse rechtsgeleerde Gustav Radbruch, die in de Weimar-republiek nog enige tijd minister van Justitie was. Toen nazi-misdadigers zich vlak na de oorlog probeerden te verschuilen achter nazi-wetten, stelde Radbruch dat dat soort wetten genegeerd kan worden als daarin duidelijk sprake is een grove schending van gerechtigheid en menselijkheid. Dat er in dit geval van zo'n schending sprake is, leidt geen twijfel. In feite heeft de DDR dat ook bevestigd door de burgerrechtenovereenkomst van de Verenigde Naties te onderschrijven. Die overeenkomst is uit 1966 en het duurde weliswaar zeven jaar voor de DDR ratificeerde. Maar toen zette het land zijn handtekening onder een papier waarin ondermeer de volgende zin is opgenomen: “Ieder mens heeft het recht om ieder land, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.”

    • Paul Luttikhuis