Cassave zonder eters; Biotechnologie zet ontwikkelingslanden buitenspel

Een half miljard dorpelingen eten dagelijks de tropische wortel cassave. Westerse biotechnologen kunnen nu ook in dit gewas soortvreemde genen zetten. Maar wat hebben de arme boeren hier aan?

NA TOMATEN, maïs, chrysanten en andere industrieel belangrijke gewassen kunnen biotechnologen sinds kort ook het tropisch voedselgewas cassave genetisch veranderen, zo meldde het maandblad Nature Biotechnology van juni. Zwitserse en Engelse onderzoekers slaagden er onafhankelijk van elkaar in om bacterieel DNA in zowel cassave-scheutjes als gekweekte celklompjes van dit gewas te brengen. De ingebrachte 'merkergenen', genen die hun aanwezigheid gemakkelijk verraden, zijn niet interessant voor de landbouw. Met hun onderzoek bewezen de onderzoekers alleen de effectiviteit van de methode.

In hetzelfde nummer van Nature Biotechnology ontvouwde zich op de opinie-pagina's een discussie over de waarde van deze vondst. Een moleculair bioloog sprak van een 'mijlpaal'. Want cassave - een witte wortel die vrouwen raspen, koken of in schijfjes bakken - is in de Derde wereld een belangrijk zetmeelgewas. Een half miljard mensen zijn ervan afhankelijk. De mogelijkheid direct in het DNA in te grijpen biedt veredelaars extra handvatten om de voedzame wortel resistenter, beter bewerkbaar of lekkerder te maken.

De redactie van het maandblad achtte het echter 'onrealistisch' dat genetisch gemanipuleerde cassave ooit enige betekenis zal krijgen buiten het laboratorium. Cassave wordt voornamelijk verbouwd door dorpelingen die cultureel en fysiek ver verwijderd zijn van de onderzoeksinstituten. Veel dorpen zijn verstoken van maatschappelijke organisaties, proefstations, voorlichters en zaadbedrijven die kunnen zorgen voor de aanpassing, promotie en distributie van nieuwe rassen. De boeren (meestal vrouwen) zijn gewend hun eigen landrassen te selecteren. Zelfs weefselkweektechnieken om goede cassave-rassen snel en ziektevrij te vermeerderen, ontwikkeld in de jaren zeventig, worden nog nauwelijks in de praktijk gebracht.

Centraal in de discussie staat de vraag: hoe kan de arme bevolking in de tropen meedelen in de verworvenheden van de moderne biotechnologie? Het is een vraag waar onder andere het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking mee worstelt. Begin jaren negentig heeft het vijftig miljoen gulden uitgetrokken voor een programma Biotechnologie. Deze herfst wordt het geëvalueerd. De bedoeling is in Colombia, Zimbabwe en India moderne biotechnieken in te zetten voor de kleinschalige landbouw, gericht op lokale voedselvoorziening. Het gaat dan bijvoorbeeld om genetische modificatie, weefselkweek voor vermeerdering van zaailingen, en DNA-screeningstechnieken om snel eigenschappen van planten of dieren te achterhalen. Doelgroep zijn de boeren en boerinnen die achter hun hut niet meer dan een hectare grond bezitten.

MOEIZAAM

Om te garanderen dat de met Nederlands geld ontwikkelde biotechnieken speciaal hen bereikt, volgt het ministerie een zogeheten participatieve methode: de biotechnologen - uit de ontwikkelingslanden zelf - stellen in workshops prioriteiten met boeren, kleinschalige verwerkers, overheidsorganisaties en maatschappelijke organisaties. De partijen moeten er gezamenlijk voor zorgen dat het onderzoek aansluit bij de wensen van deze kleine boer(inn)en.

“Zo'n proces verloopt heel moeizaam”, zegt programmaleider dr.ing. H. Wessels. “Want nog bijna nergens in de wereld werken partijen met dat doel samen. Je merkt ook verzet. Onderzoekers willen in wetenschappelijke bladen publiceren. En maatschappelijke organisaties zeggen: 'waarom doen we zo moeilijk? Geef ons gewoon een lab voor weefselkweek zodat we gewassen snel kunnen vermeerderen.' Het kost natuurlijk ook veel tijd. In Zimbabwe is nu gekozen om bestaande maïsrassen met DNA-screeningstechnieken te selecteren op droogte-resistentie. Daarna wordt misschien overgegaan op genetisch gemodificeerde, droogte-resistente maïs. De huidige generatie boeren maakt de introductie hiervan niet meer mee.”

Het programma van Ontwikkelingssamenwerking heeft de beperking dat het uitgaat van een oplossing - moderne biotechnologie - en niet van de lokale problemen. Bij droogte kan een genetisch gemodificeerde, droogte-resistente maïs gemaakt worden, maar wellicht is het logischer om een traditioneel, door de boeren zelf geselecteerd sorghumras te introduceren. Andere keren verdienen vrouwen sneller extra inkomen als ze een eenvoudige pindapelmachine gebruiken en niet wachten op de ontwikkeling van DNA-methoden om pindaplanten te screenen.

Wessels acht het niettemin zinvol om, naast het probleemgericht onderzoek dat open staat voor alle typen oplossingen, in de laboratoria van ontwikkelingslanden capaciteit op te bouwen voor moderne biotechnieken: “De biotechnologie komt steeds meer in handen van de multi-nationals. Dat bewijst ook weer de overname van het Belgische bedrijf Plant Genetic Systems door Hoechst Schering. De ontwikkelingslanden dreigen buitenspel te raken als ze zelf zo'n basistechniek niet in huis halen. Hebben ze die wel, dan kunnen ze de nieuwe technieken ook inzetten voor de kleinschalige voedsellandbouw met traditionele gewassen als cassave of sorghum. Dat moeten de landen zelf doen. Want het is iets waar de multi-nationals niet in zijn geïnteresseerd.”

Willen ook de kleine boer(inn)en baat hebben bij biotechnologie, zo is de mening van Ontwikkelingssamenwerking, dan moet met hulp van maatschappelijke organisaties hun vraag duidelijk worden omschreven. Het overheidsonderzoek kan zich daar dan op richten. Maar dat vraagt wel een cultuuromslag. Wessels: “Onderzoekers zeggen nu vaak: 'We ontwikkelen toch de goede variëteiten'. Terwijl de maatschappelijke organisaties en boeren zeggen: 'Nee, die doen het niet bij ons', of: 'Wij willen rassen met andere eigenschappen'. Breng je de partijen regelmatig bij elkaar, dan zien ze dikwijls dat boeren heel andere vragen hebben dan waar zij mee bezig zijn.”

De Engelse biotechnologen schatten in Nature Biotechnology dat het nog zeker tien jaar zal duren voor de eerste cassave met soortvreemde genen op de markt is. Waar het gaat om de toepassing van deze àllernieuwste 'high tech', is er dus nog even tijd voor de arme boer(inn)en om bij de onderzoeksinstituten hun stem te laten horen.

    • Marianne Heselmans